Samenvatting
Verzoekster verklaart eveneens vervolging te vrezen vanwege de Tsjadische autoriteiten vanwege haar politieke activiteiten die zij in Frankrijk heeft ontwikkeld in het kader van haar lidmaatschap van FACT en de door haar op facebook gepubliceerde artikels over mensenrechtenschendingen en andere incidenten in Tsjaad. Verzoekster verwees ook naar het gegeven dat haar dochter in Frankrijk werd erkend als vluchteling. Zo uit het voorgaande is gebleken dat verzoekster haar politieke activiteiten en de daaruit voortvloeiende activiteiten voor haar vertrek uit Tsjaad in september 2016 niet aannemelijk maakt, sluit dit een vrees voor vervolging omwille van politieke activiteiten ontwikkeld tijdens haar verblijf in Frankrijk en België niet uit.
De Raad herinnert er immers aan dat de beoordeling van de nood aan internationale bescherming zich niet kan beperken tot een loutere evaluatie van elementen en feiten uit het verleden, maar tevens een toekomstgerichte beoordeling van het risico op vervolging of ernstige schade vereist in het licht van actuele landeninformatie en de individuele omstandigheden van de verzoekster.
Verzoekster legt bij de indiening van haar verzoek om internationale bescherming onder meer een aantal screenshots neer en een bundel met artikels over mensenrechtenschendingen en andere incidenten in Tsjaad die zij op Facebook publiceerde. Waar in de bestreden beslissing wordt gesteld dat op de publieke Facebookpagina een deel van haar officiële naam te zien is maar dat hieruit niet zonder meer kan worden afgeleid dat de Tsjadische autoriteiten weten wie de auteur is van deze stukken, stelt de Raad vast dat de loutere vaststelling dat er op facebook tientallen naamgenoten zijn, niet kan volstaan om te besluiten dat de Tsjadische autoriteiten niet zouden kunnen achterhalen dat verzoekster de auteur is, zoals zij beweert. Het feit dat meerdere personen op Facebook dezelfde naam hebben als verzoekster, sluit niet uit dat de Tsjadische overheid de publicaties zouden kunnen linken aan verzoekster, zeker nu haar dochter werd erkend als vluchteling en dus niet kan uitgesloten worden dat zij en haar familieleden, waaronder verzoekster, in de speciale aandacht zouden kunnen staan van de Tsjadische autoriteiten, zoals ook hierna verder toegelicht.
De omstandigheid dat zij niet aannemelijk maakt dat zijzelf in de specifieke negatieve aandacht van de Tsjadische autoriteiten stond voor haar komst naar België, sluit evenmin uit dat zij omwille van haar latere publicaties op Facebook alsnog in de negatieve aandacht van de Tsjadische autoriteiten kon komen. Dat er redelijkerwijze kan vanuit gegaan worden dat de Tsjadische autoriteiten haar handelingen niet op de voet gevolgd hebben en derhalve niet op de hoogte zijn van haar acties in en vanuit België, kan niet zonder meer worden gevolgd. In het rechtsplegingsdossier ontbreekt immers elke actuele informatie over de mate waarin de Tsjadische autoriteiten de Tsjadische diaspora via sociale media al dan niet volgen. Dat de door verzoekster neergelegde kopieën van convocaties van januari en maart 2019 weinig bewijswaarde hebben voor verzoeksters bewering dat zij omwille van haar kritiek op sociale media zou zijn opgeroepen gelet op de vaststellingen over de inhoudelijke kenmerken van beide documenten in de bestreden beslissing, doet hieraan evenmin afbreuk.
Uit het rechtsplegingsdossier blijkt verder dat verzoeksters dochter M. in Frankrijk erkend werd als vluchteling. Verzoekster legt ter staving een kopie neer van de beslissing van OFPRA van 22 mei 2015 waarbij mevrouw S. M. wordt erkend als vluchteling alsook een kopie van de verblijfstiel van haar dochter in Frankrijk, geldig tot 21 mei 2025 (Administratief dossier, documenten voorgelegd door de asielzoeker, stuk 14). De verwantschapsband tussen verzoekster en de persoon waarvan zij een kopie van de erkenning als vluchteling en haar verblijfstitel voorlegt, wordt niet betwist.
De Raad kan de commissaris-generaal bijtreden waar in de bestreden beslissing wordt gesteld dat elk verzoek om internationale bescherming op zijn eigen merites moet worden beoordeeld. Uit de erkenning van de nood aan internationale bescherming voor verzoeksters dochter volgt niet automatisch dat verzoekster zelf nood heeft aan internationale bescherming. Het Hof van Justitie oordeelde immers in het arrest N. R. K. Ahmedbekova, en R. E. O. Ahmedbekov dat de Richtlijn 2011/95 niet voorziet in verlening van de vluchtelingenstatus of van de subsidiaire beschermingsstatus aan andere derdelanders dan diegenen die vallen onder de definitie van “vluchteling” en van “persoon die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt” (HvJ, 4 oktober 2018, N. R. K. Ahmedbekova, en R. E. O. Ahmedbekov, nr. C-652/16, punt 48) en dat elke beslissing over de verlening van een van beide statussen moet worden gebaseerd op een individuele beoordeling om na te gaan of de verzoeker op basis van zijn persoonlijke situatie aan de voorwaarden voor de verlening van de status voldoet. Het doel van de richtlijn is immers om te bepalen of de verzoeker een gegronde vrees heeft dat hij persoonlijk wordt vervolgd of een risico op ernstige schade heeft. Hieruit volgt dat de nood aan internationale bescherming niet zonder meer kan worden vastgesteld of een internationale beschermingsstatus worden toegekend op grond dat een gezinslid van de verzoekster een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt.
Evenwel trad het Hof de advocaat-generaal bij in zijn stelling dat dit niet verhindert dat “wel rekening moet worden gehouden met de bedreigingen waaraan een gezinslid van een verzoeker is blootgesteld, teneinde te bepalen of deze verzoeker wegens zijn familieband met die bedreigde persoon, zelf wordt bedreigd met vervolging of ernstige schade” (HvJ, 4 oktober 2018, N. R. K. Ahmedbekova, en R. E. O. Ahmedbekov, nr. C-652/16, punten 50-51). Het Hof verwijst in dit verband meer specifiek naar overweging 36 van de Kwalificatierichtlijn volgens de welke “Gezinsleden zijn louter door hun verwantschap met de vluchteling normaal gezien op zodanige wijze kwetsbaar voor daden van vervolging dat zulks een grond voor de toekenning van de status van vluchteling zou kunnen vormen”.
Uit de lezing van de bestreden beslissing blijkt dat niet betwist wordt dat verzoeksters dochter M. in Frankrijk internationale bescherming verkreeg. Evenwel kan niet blijken dat werd nagegaan of verzoekster omwille van haar familieband met haar dochter, waarvoor in Frankrijk een gegronde vrees voor vervolging of reëel risico op het lijden van ernstige schade ten aanzien van Tsjaad werd aangenomen, zelf met vervolging of ernstige schade wordt bedreigd.
Uit de beschikbare landeninformatie, waaronder de door verzoeker bijgebrachte rapporten van Amnesty International, OMCT, Human Rights Watch en persberichten van 2021 en november 2022, blijkt dat de Tsjadische overheid onder de Transition Military Council geleid door generaal Mahamat Déby na de dood van de president Idriss Déby, zich schuldig heeft gemaakt aan talrijke mensenrechtenschendingen en de politieke oppositie met gewelddadige repressie onderdrukt en dat daarbij ook vreedzame demonstraties met geweld zijn neergeslagen. Daarbij zijn tientallen doden en duizenden gewonden gevallen. Mensenrechtenactivisten en politieke opposanten werden geïntimideerd door de inlichtingendiensten (OMCT, “Tchad: la répression violente de ces derniers jours relève un système basé sur la torture”, 31 oktober 2022; France 24, « La répression au Tchad "a fait disparaître le peu d'espoir suscité par le dialogue national”, 12 november 2022). De door verzoekster bijgebrachte landeninformatie is evenwel beperkt en niet voldoende actueel aangezien het geen zicht biedt op evoluties na november 2022. De wikipedia pagina’s die door de commissaris-generaal werden toegevoegd aan het administratief dossier met betrekking tot de politieke partijen in Tsjaad en door verzoekster genoemde politieke figuren, bevatten evenmin voldoende actuele informatie met betrekking tot de huidige politieke toestand in Tsjaad om de risico’s voor verzoekster als moeder van een erkend vluchteling, die zich, weliswaar in beperkte mate via social media kritisch uitliet over de mensenrechtensituatie in Tsjaad, te kunnen beoordelen.
Daarbij moet rekening worden gehouden met het hoger vermeld vermoeden dat gezinsleden louter door hun verwantschap met de vluchteling normaal gezien zodanig kwetsbaar zijn voor daden van vervolging dat dit een grond voor toekenning van internationale bescherming zou kunnen worden. Het gaat om een vermoeden dat in de individuele omstandigheden van elke zaak kan worden weerlegd. De loutere stelling in de bestreden beslissing dat elk verzoek om internationale bescherming op zijn individuele merites moet worden onderzocht kan, mede gelet op de vaststellingen inzake de beschikbare landeninformatie inzake de hardhandige repressie van de oppositie, met inbegrip van vreedzame betogers, in casu niet volstaan om dit vermoeden te weerleggen. De informatie in het rechtsplegingsdossier met betrekking tot de redenen waarom verzoeksters dochter werd erkend is bovendien te summier om het risico voor verzoekster om het slachtoffer te worden van vervolging omwille van haar verwantschapsband met haar dochter op zorgvuldige wijze te kunnen evalueren.
Verder stelt de Raad vast dat verzoekster er in het verzoekschrift terecht op wijst dat in de bestreden beslissing weliswaar wordt besloten dat verzoekster niet in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet maar dat elke beoordeling van het bestaan van een reëel risico voor verzoekster op het lijden van ernstige schade in de zin van artikel 48/4 § 2, c) van de Vreemdelingenwet ontbreekt. De Raad stelt na lezing van het rechtsplegingsdossier bovendien vast dat het administratief dossier geen nuttige actuele informatie bevat met betrekking tot de veiligheidssituatie in Tsjaad en dat de commissaris-generaal evenmin dergelijke actuele informatie heeft bijgebracht via een verweernota of een aanvullende nota in de loop van de procedure bij de Raad.
Het Hof van Justitie heeft er recent opnieuw op gewezen dat in het kader van de samenwerkingsverplichting die rust op de autoriteiten krachtens artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn, deze autoriteiten actief met de verzoeker moeten samenwerken om de relevante elementen van het verzoek te bepalen en aan te vullen, dat de beslissingsautoriteit de verzoeken naar behoren dient te behandelen alvorens hierover een beslissing te nemen en dat de beoordeling van de nood aan internationale bescherming “in alle gevallen met oplettendheid en voorzichtigheid worden uitgevoerd, aangezien de integriteit van de mens en de individuele vrijheden – fundamentele waarden van de Unie – in het geding zijn”. Het Hof heeft daarbij opnieuw benadrukt dat de samenwerkingsplicht “inhoudt dat de beslissingsautoriteit, in casu het IPO, de verzoeken niet naar behoren kan behandelen en bijgevolg een verzoek niet ongegrond kan verklaren zonder op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen rekening te houden met, ten eerste, alle relevante feiten betreffende de algemene situatie in het land van herkomst en, ten tweede, alle relevante elementen die verband houden met de individuele status en de persoonlijke situatie van de verzoeker.” Het Hof preciseerde dat wat de relevante feiten betreffende de algemene situatie in het land van herkomst betreft, de lidstaten “ervoor moeten zorgen dat er nauwkeurige en actuele informatie wordt verzameld over de algemene situatie in de landen van herkomst van asielzoekers en, waar nodig, in de landen van doorreis (arrest van 22 november 2012, M., C-277/11, EU:C:2012:744, punt 67)” (HvJ, C-756/21, X tegen International Protection Appeals Tribunal, Minister for Justice and Equality, Ierland, Attorney General, 29 juni 2023, punten 48-50 en 54-55). Noch de bewoordingen van artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn, noch de rechtspraak van het Hof van Justitie bevatten uitzonderingen op de verplichting van de asielinstanties om actuele en nauwkeurige informatie over het land van herkomst van de verzoeker om internationale bescherming te verzamelen ter ondersteuning van de behandeling en beoordeling van verzoeken om internationale bescherming. Precies omdat individuele vrijheden in het geding zijn is bij de behandeling van elk verzoek om internationale bescherming voorzichtigheid geboden en kan een behoorlijke behandeling niet gebeuren zonder rekening te houden met alle relevante feiten betreffende de algemene situatie in het land van herkomst.
Uit de door verzoekster bijgebrachte internetlinks blijkt dat er in 2021 en 2022 sprake was van verschillende conflicten tussen gemeenschappen en bepaalde beroepsgroepen die gepaard gingen met geweld waarbij ook burgerslachtoffers vielen.
Bovendien blijkt uit deze informatie ook dat Tsjaad sinds 2014 geconfronteerd wordt met terroristische aanslagen op zijn grondgebied en in dit kader aanzienlijke militaire middelen op zijn grondgebied heeft ontplooid (OCMT, p. 7, 10-11, 28). Zo hieruit blijkt dat Tsjaad sinds meerdere jaren wordt geconfronteerd met terroristische aanslagen en er gewelddadige conflicten zijn tussen gemeenschappen in het land, is de beschikbare informatie beperkt tot 2022 en te weinig specifiek om een actuele beoordeling te maken van de veiligheidssituatie in Tsjaad in het licht van artikel 48/4 § 2, c) van de Vreemdelingenwet.
Gelet op het voorgaande, de hoger aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie en de vereiste van een toekomstgerichte beoordeling van het beschermingsverzoek dient te worden vastgesteld dat de commissaris-generaal niet heeft voldaan aan de vereisten van een zorgvuldig en nauwkeurig onderzoek en de op haar rustende samenwerkingsplicht.
De Raad herinnert eraan dat hij geen onderzoeksbevoegdheid heeft en dat ook de Raad gehouden is het beschermingsverzoek te toetsen aan actuele landeninformatie met betrekking tot verzoeksters land van nationaliteit.
Op basis van de elementen in het rechtsplegingsdossier kan de Raad, gelet op het ontbreken van verdere onderzoeksbevoegdheid, in deze stand van zaken het beschermingsverzoek van verzoekster niet op nuttige wijze evalueren in het kader van een devolutief beroep.
Het ontbreekt de Raad aldus aan essentiële elementen om te komen tot de in artikel 39/2, § 1, tweede lid, 1° van de Vreemdelingenwet bedoelde bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen.