Samenvatting
Het verzoek om internationale bescherming is gebaseerd op verzoekers vrees voor vervolging door de taliban omdat hij niet zou voldaan hebben aan de eis van de taliban om de gegevens van alle leraren van de meisjesschool waar hij lesgaf door te geven en hen te overhalen om niet langer les te geven aan meisjes ouder dan twaalf. Volgens zijn verklaringen zou hij daarop de autoriteiten en de school hebben ingelicht en zou daarna de taliban naar het huis van zijn moeder gegaan zijn op een ogenblik dat hijzelf in Charekar was en zijn neef T., die toen bij zijn moeder op bezoek was, hebben meegenomen en twee dagen vastgehouden. Volgens zijn verklaringen kon T. na twee dagen ontsnappen met de hulp van een eveneens gevangen gehouden commandant van de taliban en is hij samen met T. een week later uit Afghanistan vertrokken.
Wat betreft verzoekers verklaring dat hij voor zijn vertrek uit Afghanistan als leraar in een meisjesschool werkte, wordt in de bestreden beslissing gemotiveerd dat verzoeker geen enkel begin van bewijs voorlegde en dat hij geen plausibele verklaring biedt voor het ontbreken van elk begin van bewijs.
De Raad stelt evenwel vooreerst vast, zoals terecht aangestipt in het verzoekschrift, dat uit de bestreden beslissing niet kan blijken dat op enige wijze rekening werd gehouden met verzoekers verklaringen over zijn werk als leraar op een school voor meisjes in Tooberdi. Uit de lezing van verzoekers verklaringen tijdens het persoonlijk onderhoud hierover blijkt dat verzoeker vrij gedetailleerde verklaringen aflegt over de school waar hij les gaf, de leeftijdscategorieën van de leerlingen waaraan hij les gaf, zijn salaris, de periodes waarin de schoolvakanties vielen en waarin de school vanwege religieuze feesten gesloten was (notities PO, p. 7). Evenwel stelt de Raad ook vast dat verzoeker geen verdere inhoudelijke vragen werden gesteld over andere aspecten van zijn taak als leerkracht en de vakken die hij gaf of de interne organisatie van de school noch het profiel en familiale achtergrond van de leerlingen die naar de school kwamen.
De Raad stelt vast dat verzoeker bij het CGVS geen documenten neerlegde die zijn activiteiten als leraar kunnen staven, maar is in de huidige stand van zaken niet overtuigd van de motieven in de bestreden beslissing op basis waarvan wordt geconcludeerd dat het niet aannemelijk is dat hij niet in staat was iets voor te leggen. Tijdens het persoonlijk onderhoud werd verzoeker gevraagd of hij nog documenten heeft; waarop hij antwoordde: “Nee, ik had digitale doc, foto’s enzo, in Turkije werden we opgepakt en ze namen onze gsm af. Heeft u nog doc van uw werk als leraar, van het overlijden van uw ouders en broer? Ik had foto’s van doc en ze namen die gsm af van ons. Maar mss kan u nog aan doc geraken via uw familie in A? Die T hebben ons huis ingenomen en alles wat we hadden hebben ze leeggehaald, er is niets meer. Uw zussen hebben ook geen doc of foto’s meer? Nee” (notities PO, p. 8). Verzoekers verklaringen dat zijn GSM werd afgenomen in Turkije worden blijkens de bestreden beslissing niet als dusdanig ongeloofwaardig geacht, maar er wordt niet aangenomen dat verzoeker geen documenten over zijn werk kan voorleggen omdat zijn asielrelaas niet geloofwaardig wordt geacht en er dus evenmin dat de taliban zijn documenten uit zijn huis zouden verwijderd hebben en omdat hij nog contact had/heeft met verschillende personen in Afghanistan zoals zijn moeder, zijn zus, de vader van T. en Z.. Met betrekking tot zijn moeder verklaarde verzoeker dat hij via haar wel informatie verkreeg in het begin na zijn vertrek (notities PO, 19), maar dat zij overleed zes maanden na zijn aankomst in België. Dat verzoekers vader overleden is, is verder niet betwist. Wat de vader van T. en Z., zijn zus betreft, is niet betwist dat deze personen in Arzankhimat verblijven (notities PO, p. 8, 13, 18, Verklaring DVZ, vraag 17) en niet in verzoekers dorp. Het is onduidelijk waarom ervan uitgegaan wordt dat deze personen documenten in hun bezit zouden hebben met betrekking tot verzoekers werk als leraar in een meisjesschool in Toober, zelfs indien zijn relaas ongeloofwaardig zou zijn, zodat deze motieven in de huidige stand van zaken onvoldoende draagkrachtig zijn om te besluiten dat verzoeker geen plausibele verklaring voorlegt voor het ontbreken van elk begin van bewijs van zijn hoedanigheid als voormalig leerkracht in een meisjesschool in Tooberdi.
Uit de door verzoeker door middel van een aanvullende nota neergelegde foto waarop hij zou te zien zijn aan een schoolbord, kan niet worden afgeleid waar of wanneer deze foto is gemaakt en er wordt geen voor eensluidend verklaarde vertaling neerlegd van wat op het bord is geschreven zodat dit document in toepassing van artikel 8 van het Procedurereglement van de Raad uit de debatten wordt geweerd. Los van de geloofwaardigheid van de voorgehouden problemen die zouden verband houden met zijn functie als leraar Dari en religie in een meisjesschool in Tooberdi in de provincie Parwan voor de machtsovername, kan de loutere afwezigheid van documenten met betrekking tot zijn activiteiten als leraar, gelet op het voorgaande als dusdanig niet volstaan om te besluiten dat verzoekers verklaring dat hij een leraar Dari en religie was in Tooberdi ongeloofwaardig zou zijn. In dit verband stelt de Raad bovendien vast dat de commissaris-generaal in haar verweernota uiteenzet dat verzoekers tewerkstelling als leerkracht in een meisjesschool niet vaststaat omwille van de afwezigheid van enig objectief stuk en een afdoende verklaring van verzoeker hiervoor, maar ook dat “zelfs indien verzoekers tewerkstelling wel zou worden aangenomen, dient opgemerkt te worden dat uit de beschikbare informatie, waarnaar reeds in de bestreden beslissing werd verwezen (het EUAA-rapport Afghanistan - Targeting of Individuals van augustus 2022, de EUAA COI Query Afghanistan - Major legislative, security-related, and humanitarian developments van 4 november 2022 en de EUAA Country Guidance Afghanistan van januari 2023), blijkt dat er in het algemeen geen sprake is van een situatie waarin personen die werkten als onderwijzer of in een onderwijsinstelling te maken krijgen met vervolging. Het is bijgevolg aan verzoeker om specifieke redenen aan te brengen waarom hij wel een vrees voor vervolging zou koesteren. Eventuele vervolging van personen met dit profiel hangt af van specifieke elementen, zoals onder andere gender, (gepercipieerde) banden met bepaalde partijen in het conflict en de mate waarin de persoon of de instelling zich schikt naar de talibanverordeningen. Verzoeker slaagt hier niet in.” Hieruit volgt dat de commissaris-generaal zelf van oordeel is dat de tewerkstelling van verzoeker als leraar in een meisjesschool niet vaststaat maar dat indien verzoekers tewerkstelling wel zou worden aangenomen, verzoeker er niet in slaagt om specifieke redenen aan te brengen waarom hij wel een vrees voor vervolging zou koesteren en dat eventuele vervolging van personen met dit profiel afhangt van specifieke elementen, waaronder de mate waarin de persoon zich schikt naar de talibanverordeningen. Hieruit blijkt minstens dat de commissaris-generaal in haar verweernota niet uitsluit dat verzoeker in het verleden als leraar in een meisjesschool actief was.
Uit de lezing van de notities van het persoonlijk onderhoud blijkt in dit verband dat verzoeker uitdrukkelijk verklaarde, gevraagd wat zijn mening is over de taliban: “Ze zijn moordenaars en nu aan de macht, ze respecteren de mensenrechten en vrouwenrechten niet, als mensen akkoord zijn om naar hen te luisteren zijn ze zogezegd goede personen, mensen worden verplicht 5 keer per dag te bidden, een lange baard te dragen en doen wat ze worden gevraagd, ze zijn niet erkend door de internationale gemeenschap, ze zijn machtige personen die veel mensen hebben gedood” (notities PO, p. 5). Verder stelt verzoeker dat hij sinds hij in België is niet meer bidt omdat “Ik voelde me hier niet meer verplicht, ik heb de vrijheid en geen zin meer. Viert u nog islamfeestdagen zoals ramadan, eid ul fitr, eid ul adha? Nee. Waarom niet? Als ik in een land ben probeer ik me aan te passen, ik heb hier de vrijheid” (notities PO, p. 6). Verder stelt verzoeker dat het altijd zijn droom was om leraar te worden “zeker de meisjes helpen want het studieniveau in m’n regio was erg laag en ik wilde lesgeven zodat ze later iets konden worden, een geleerde moeder, lerares of iets anders” (notities PO, p. 7).
Dat verzoeker, gevraagd naar zijn vrees bij terugkeer, tijdens het persoonlijk onderhoud enkel verwees naar zijn ongeloofwaardig geachte vluchtmotieven en dus geen elementen aanhaalt die wijzen op een gegronde vrees voor vervolging omwille van zijn profiel, zoals de commissaris-generaal betoogt in haar verweernota, ontslaat deze laatste niet van haar verplichting om een globale beoordeling te maken van verzoekers nood aan internationale bescherming op basis van het geheel van verzoekers individuele omstandigheden in het licht van actuele landeninformatie (artikel 48/6, § 5 van de Vreemdelingenwet). De Raad herinnert eraan dat deze beoordeling zich niet kan beperken tot een loutere evaluatie van elementen en feiten uit het verleden, maar tevens een toekomstgerichte beoordeling van het risico op vervolging of ernstige schade vereist. De vaststelling dat de door verzoeker voorgehouden problemen met de taliban voor zijn vertrek uit Afghanistan en voor de machtsovername door de taliban ongeloofwaardig zouden zijn, sluit niet uit dat verzoeker een gegronde vrees voor vervolging aannemelijk zou kunnen maken omwille van zijn individuele omstandigheden, waaronder, indien geloofwaardig, zijn profiel als voormalige leerkracht in een meisjesschool en zijn opvattingen over het huidige talibanregime en zijn religie in geval van terugkeer naar zijn regio van herkomst in Afghanistan, gelet op de fundamenteel gewijzigde situatie in verzoekers land van herkomst sinds zijn vertrek uit dit land.
Daarbij dient rekening te worden gehouden met de algemene context in Afghanistan zoals beschreven in de landeninformatie in het rechtsplegingsdossier.
(…)
In casu kan niet blijken uit de bestreden beslissing dat de commissaris-generaal op enige wijze rekening heeft gehouden met verzoekers verklaringen inzake de beleving van zijn geloof sinds zijn aankomst in België in het licht van de actuele landeninformatie inzake de huidige mensenrechtensituatie in Afghanistan en de strenge interpretatie van de sharia door de taliban, zoals hoger besproken. Wat zijn verklaringen inzake zijn mening over de taliban betreft kan uit de lezing van de bestreden beslissing enkel blijken dat hierin vermeld wordt dat verzoeker zeer negatief staat tegenover hen en dit wordt gezien als een indicatie van de ongeloofwaardigheid van zijn verklaring dat de taliban hem zou hebben benaderd, maar niet dat hiermee rekening werd gehouden in het kader van een toekomstgerichte beoordeling van verzoekers nood aan internationale bescherming. Waar in de bestreden beslissing verder ook wordt gesteld dat verzoeker geen concrete elementen aanhaalt waaruit zou blijken dat hij, in geval van terugkeer, dusdanig negatief zou worden gepercipieerd dat er gewag kan worden gemaakt van vervolging zoals bepaald in de Vluchtelingenconventie, kan evenmin blijken dat rekening werd gehouden met de hoger vermelde verklaringen van verzoeker over zijn opvattingen over de taliban en zijn religie.
Tenslotte stelt de Raad met verzoeker vast dat uit de bestreden beslissing evenmin kan blijken dat op enige wijze rekening werd gehouden met verzoekers Tadzjiekse origine (Verklaring DVZ, vraag 6, d, notities PO, p. 3), die niet wordt betwist door de commissaris-generaal. Uit de beschikbare landeninformatie blijkt evenwel dat de Tadzjiekse gemeenschap onder meer geviseerd wordt door de taliban omdat zij ervan verdacht worden banden te hebben met verzetsbewegingen (EUAA, “Afghanistan Country Focus”, December 2023, p. 83) en in het bijzonder met de NRF. Dit is actueel de voornaamste verzetsbeweging in Afghanistan, die vooral strijdt tegen de taliban in Pansjir en de omliggende gebieden in het Noorden, inclusief delen van de provincies Baghlan, Parwan en Kapisa (Algemeen Ambtsbericht, p. 37). In de EUAA “Country Guidance Afghanistan” van januari 2023 worden etnische Tadzjieken, in het bijzonder wanneer zij afkomstig zijn uit Pansjir of het Andarab District van de provincie Baghlan, aangemerkt als een risicoprofiel omdat zij door de taliban worden gezien als potentiële aanhangers van de NRF. Verzoeker is afkomstig uit Tooberdi in het district Charekar van de provincie Parwan. Zo uit de beschikbare landeninformatie actueel niet kan worden afgeleid dat elke persoon van Tadzjiekse origine, louter omwille van zijn etnische afkomst vervolging of ernstige schade riskeert in geval van terugkeer naar Afghanistan, blijkt wel dat bij de beoordeling van de nood aan bescherming van deze personen rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat Tadzjieken geassocieerd kunnen worden met verzetsbewegingen tegen de taliban door de huidige de facto-autoriteiten en dat dit kan resulteren in een verhoogde negatieve aandacht vanwege deze autoriteiten. In het meest recente EUAA rapport van december 2023 kan in dit verband worden gelezen dat verzoekers regio van herkomst, Parwan, naast Panjsher, Takhar, Badakhshan, Baghlan en Kapisa, één van de provincies is waar de NRF en andere verzetsgroepen het meest aanwezig zijn en betrokken bij aanvallen en veiligheidsincidenten (EUAA, Afghanistan Country Focus”, December 2023, p. 30) en dat de de facto-autoriteiten gedwongen uitzettingen en interne verplaatsing van Tadzjieken, naast andere etnische minderheden, hebben gefaciliteerd en gedoogd in sommige gevallen (idem, p. 82-83). Een aantal Tadzjieken uit Pansjir die verdacht worden van banden met de NRF zijn ook uitgeweken naar de provincie Parwan (idem, p. 40, 67).
Waar de commissaris-generaal in haar verweernota en ter terechtzitting er op wijst dat verzoeker zijn etnische origine niet aanhaalde als grond voor vervolging en dat volgens de EUAA “Country Guidance” van december 2023 rekening dient te worden gehouden met een eventuele associatie met het National Resistance Front (NRF), waarbij Tadzjieken van de provincie Panjshir en het district Andarab van de provincie Baghlan in het bijzonder een verhoogd risico lopen, wijst de Raad erop dat verzoeker wel degelijk zijn etnische origine vermeldde en dat het aan de commissaris-generaal toekomt de door verzoeker aangehaalde elementen juridisch te kwalificeren en een toekomstgerichte beoordeling te maken van de nood aan bescherming op basis van het geheel van verzoekers individuele omstandigheden in het licht van actuele landeninformatie en stelt vast dat met verzoekers etnische origine geen rekening werd gehouden in de bestreden beslissing.
De Raad stelt vast dat, op basis van de elementen die door verzoeker werden aangereikt, voor hem een aantal risicobepalende factoren lijken te bestaan, waarvan moet worden nagegaan of zij, cumulatief beschouwd voldoende zijn om te besluiten dat voor verzoeker in geval van terugkeer naar Afghanistan een gegronde vrees voor vervolging kan worden aangenomen onder meer omwille van een (toegeschreven) politieke of religieuze overtuiging eventueel samen gezien met een risicoprofiel ontleend aan zijn verder te onderzoeken vroegere professionele activiteiten als leraar in een meisjesschool in Tooberdi in de provincie Parwan.
Een verder onderzoek naar verzoekers profiel en de mogelijke risico’s voor verzoeker bij terugkeer naar Afghanistan omwille van de bovenstaande elementen eigen aan zijn zaak, dringt zich op. Het gebrek aan zorgvuldig onderzoek naar deze elementen verhindert de Raad om deze beoordeling alsnog zelf grondig te kunnen maken. Daarbij moet rekening worden gehouden met het repressieve beleid van de taliban, dat is gestoeld op een extreme versie van de sharia maar ook is beïnvloed door lokale tradities en tribale codes waarbij het rechtskader onduidelijk blijft en met de zeer uitgebreide, gedetailleerde en gedocumenteerde informatie die door beide partijen wordt bijgebracht en waaruit eveneens blijkt dat de perceptie leeft dat terugkeerders waarden en uiterlijkheden hebben aangenomen die worden geassocieerd met Westerse landen.
Uit dit alles volgt dat de Raad op basis van de elementen in het rechtsplegingsdossier, gelet op de grenzen van een ondervraging ter terechtzitting en het ontbreken van verdere onderzoeksbevoegdheid, in deze stand van zaken het beschermingsverzoek van verzoeker niet verder op nuttige wijze kan evalueren in het kader van een devolutief beroep.
Het ontbreekt de Raad aldus aan essentiële elementen om te komen tot de in artikel 39/2, § 1, tweede lid, 1° van de Vreemdelingenwet bedoelde bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen.