Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 301.327 - 12-02-2024

Samenvatting

Het verzoek om internationale bescherming is gebaseerd op verzoekers vrees voor onmenselijke of vernederende behandeling in Afghanistan omwille van medische problemen, namelijk een zichtbare, gedeeltelijke gezichtsverlamming en gehoorverlies.
De Raad stelt vast dat in casu niet wordt betwist dat verzoeker aan een gedeeltelijke gezichtsverlamming lijdt ten gevolge van een facialisparese met een ooglid dat niet volledig kan sluiten alsook met gehoorverlies.
Reeds bij de DVZ en tijdens zijn persoonlijk onderhoud op het CGVS heeft verzoeker gewag gemaakt van deze medische problemen, en zijn voogd alsook zijn advocaat gaven tijdens het persoonlijk onderhoud uitdrukkelijk te kennen dat er verdere ingrepen moesten volgen en behandelingen nodig waren, hetgeen ook bij verzoekers aanvullende nota’s wordt gestaafd met verschillende medische stukken.
In de bestreden beslissing wordt concreet gemotiveerd dat in de mate dat verzoekers voogd en advocaat verwijzen naar zijn medische problematiek, de beoordeling van deze problematiek een exclusieve bevoegdheid is van de DVZ zodat het enkel aan de DVZ toekomt om te oordelen of verzoekers medische problemen aanleiding kunnen geven tot een onmenselijke of vernederende behandeling in Afghanistan en dus al dan niet een schending uitmaakt van het non-refoulementbeginsel vervat in artikel 3 van het EVRM. Verzoeker dient zich volgens verweerder voor de beoordeling van medische elementen te richten tot de geëigende procedure, zijnde een aanvraag voor een machtiging tot verblijf op basis van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet.
In het verzoekschrift wordt benadrukt dat verzoeker een gezichtsverlamming heeft die heel zichtbaar is en wordt, met verwijzing naar algemene informatie, gesteld dat mensen met ernstige fysieke en/of mentale beperkingen in Afghanistan het mikpunt van spot en mishandeling zijn. Verzoeker beklemtoont dat hij een ernstige en zeer opvallende fysieke beperking heeft en verwijt verweerder zijn duidelijke fysieke beperking als individueel kenmerk van zijn achtergrond niet op geïndividualiseerde wijze in rekening gebracht te hebben. Verzoeker vervolgt dat het zeer aannemelijk is dat hij bij terugkeer louter omwille van zijn zichtbaarheid en zijn terugkeer uit het Westen, zal opvallen en daardoor extra kwetsbaar zal zijn voor vervolging. Verzoeker betoogt dat minstens de samenhang tussen zijn socio- economische achtergrond, zijn fysieke beperkingen en zijn terugkeer uit het Westen na jarenlange afwezigheid tijdens zijn identiteitsbepalende jaren voor een risico op vervolging zal zorgen in geval van terugkeer. In ondergeschikte orde wordt aangevoerd dat verweerder op zijn minst ten onrechte niet heeft geëvalueerd of verzoeker in aanmerking komt voor de erkenning als vluchteling omwille van zijn fysieke beperkingen, zodat de beslissing minstens moet worden vernietigd teneinde verweerder te verplichten om dit onderzoek te voeren.
Vervolgens bespreekt verzoeker zijn vrees voor vervolging omwille van een verwestering en onderstreept hierbij onder meer het feit dat hij op jonge leeftijd (vijftien jaar) Afghanistan verliet waardoor hij zijn identiteitsbepalende levensfase hoofdzakelijk in het Westen heeft doorgebracht en nog steeds doorbrengt. Daarnaast wijst hij op het feit dat hij intussen al zo’n twee jaar uit Afghanistan weg is en al (thans meer dan) twee jaar in België verblijft. Ten slotte betoogt verzoeker in dit verband dat het gegeven dat hij van het platteland komt in de provincie Laghman waar de taliban van oudsher al sterk stonden en er conservatieve waarden heersen, hij des te meer zal opvallen in geval van terugkeer en hij door zijn fysieke problemen extra “in the picture” zal lopen bij een terugkeer.
De Raad stelt vast dat uit de bijgebrachte medische attesten inderdaad blijkt dat verzoeker een ernstige gedeeltelijke gezichtverlamming heeft en tevens aan zijn rechterkant lijdt aan gehoorverlies.
Voorts bemerkt de Raad dat verzoekers raadsvrouw ter terechtzitting verklaarde dat er nog steeds een tumor aanwezig is aan zijn hersenstam en verzoeker na zes maanden op controle moet. Ook beklemtoont verzoekers voogd ter terechtzitting dat na zijn operatie zijn volledige rechterzijde verlamd geraakte en hij nog een lange revalidatieweg te gaan heeft.
Daarenboven stipt de Raad aan dat bij verzoeker die ter terechtzitting aanwezig was, een duidelijke verlamming over zijn gehele rechterkant zichtbaar was en hij moeite had met zich duidelijk verstaanbaar te maken in het Pashtu en zich slechts kon voortbewegen met een kruk.
De Raad merkt hierbij op dat, zoals ook verzoeker aanstipt, uit de beschikbare landeninformatie blijkt dat de Afghaanse samenleving in het algemeen weinig verdraagzaamheid vertoont ten aanzien van personen die afwijken van de ‘norm’, bijvoorbeeld wegens hun fysieke of mentale aandoeningen.
Uit de bestreden beslissing, waar verweerder zich beperkt tot een verwijzing naar de 9ter-procedure hetgeen ondertussen reeds werd opgestart door verzoeker, en het administratief dossier kan niet blijken dat, in het licht van de thans aanwezige stukken in samenhang met verzoekers verklaringen, de verklaringen van zijn voogd en raadsvrouw ter terechtzitting en de beschikbare landeninformatie, afdoende werd gepeild naar mogelijke risicobepalende omstandigheden in hoofde van verzoeker ten gevolge van zijn medische problemen en de mate waarin verzoeker hierdoor vervolging riskeert, te meer verzoekers medische toestand die zich uit in fysieke beperkingen op heden duidelijk zichtbaar zijn en er geen zekerheid is hoe dit in de toekomst zal evolueren. De Raad kan slechts vaststellen dat hij in de huidige stand van zaken, gelet op het feit dat in casu verzoeker hieromtrent niet werd bevraagd op het CGVS en gelet op de grenzen van de ondervraging ter terechtzitting, onvoldoende zicht heeft op de nood naar bescherming wegens een vrees voor vervolging omwille van zijn fysieke beperkingen onder het huidig talibanbewind, en is van oordeel dat hierover verder onderzoek noodzakelijk is.
Daarnaast stipt de Raad aan dat hij in de huidige fase van de procedure evenmin voldoende elementen heeft om de zichtbaarheid van verzoeker bij een terugkeer naar Afghanistan, alwaar hij als minderjarige voor de machtsovername is vertrokken, te beoordelen in het kader van een vrees wegens gepercipieerde verwestering. Verzoeker, die als minderjarige toekwam in België en heden nog steeds minderjarig is, werd immers niet afdoende bevraagd naar deze vrees in het licht van zijn medische, fysieke toestand.
Bij de beoordeling of er sprake kan zijn van een (toegeschreven) verwestering die aanleiding kan geven tot een gegronde vrees voor vervolging is nog steeds een individueel onderzoek vereist, waarbij ook rekening moet worden gehouden met verschillende risicobepalende factoren, zoals het geslacht, de gedragingen van de verzoeker, het gebied van herkomst, de conservatieve omgeving, de perceptie van traditionele genderrollen door de familie, de leeftijd, de duur van het verblijf in een westers land en de zichtbaarheid van de persoon.
Afghanen die uit Europa terugkeren naar Afghanistan kunnen door de taliban of de maatschappij met argwaan worden bekeken en kunnen worden geconfronteerd met stigmatisering of uitstoting. Stigmatisering of uitstoting kunnen echter slechts in uitzonderlijke gevallen worden beschouwd als vervolging. Wat de negatieve perceptie betreft ten aanzien van terugkeerders uit het Westen blijkt nergens in de aanwezige informatie dat dit gegeven op zich aanleiding zou geven tot daden van vervolging doch dit dient samen met andere individuele elementen beoordeeld te worden, hetgeen verweerder aldus heeft nagelaten.
Op basis van de elementen in het rechtsplegingsdossier kan de Raad, met inachtneming van de grenzen van een ondervraging ter terechtzitting en gelet op het ontbreken van verdere onderzoeksbevoegdheid, in deze stand van zaken het beschermingsverzoek van verzoeker niet op nuttige wijze evalueren in het kader van een devolutief beroep.