Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 301.724 - 19-02-2024

Samenvatting

Het verzoek om internationale bescherming is gebaseerd op verzoekers vrees voor vervolging door de taliban omwille van een (gepercipieerde) verwestering. De verzoekende partij stelde tijdens het persoonlijke onderhoud dat ze bij terugkeer de taliban vreest omdat zij haar zouden bestempelen als ongelovige en zij reeds gehoord had van mensen dat personen die terugkeren slecht behandeld worden. Haar advocaat wierp ook tijdens het persoonlijk onderhoud op dat zij hier reeds anderhalf jaar is, naar school gaat en contact heeft met de westerse waarden. Verder stelt zij in het verzoekschrift dat zij amper vijftien jaar oud was toen zij Afghanistan verliet en nog steeds minderjarig is. Zij brengt het grootste deel van haar vormende jaren door in België, heeft een relatie gehad met een Spaans meisje, slaat regelmatig het ochtendgebed over en gaat op vrijdag niet naar de moskee, gaat uit in discotheken of naar carnavals en speelde volleybal in een gemengd team. Ten slotte merkt zij ook op dat zij afkomstig is uit een plattelandsgebied in Afghanistan.

Beschermingsverzoeken gebaseerd op (toegeschreven) verwestering of normoverschrijding in het buitenland kunnen verband houden met de vervolgingsgronden politieke of religieuze overtuiging of het behoren tot een specifieke sociale groep.
(…)
In casu heeft de verzoekende partij op 23 oktober 2020 een verzoek om internationale bescherming ingediend. Zij is geboren in 2005 en is momenteel negentien jaar oud. Zij heeft Afghanistan volgens haar verklaringen verlaten in mei 2020, op dat moment was zij vijftien jaar oud.
De verzoekende partij was bijgevolg minderjarig gedurende een aanzienlijk gedeelte van de procedure; tot het ogenblik van haar verworven meerderjarigheid was derhalve het principe van het hoger belang van het kind een element dat mede in rekening diende te worden genomen, ook tijdens het persoonlijk onderhoud dat plaatsvond op 14 februari 2022. De graad van medewerking, bewijslast en verantwoordelijkheid in hoofde van de verzoekende partij moet worden beoordeeld in het licht van haar individuele situatie. Van een minderjarige verzoeker om internationale bescherming kan niet dezelfde graad van medewerking en verantwoordelijkheid worden verwacht als van een meerderjarige verzoeker om internationale bescherming. De UNHCR “Guidelines on international protection no. 8: Child Asylum Claims under Articles 1(A)2 and 1(F) of the 1951 Convention and/or 1967 Protocol relating to the Status of Refugees”, paragraaf 73, wijzen er terecht op dat voor beschermingsverzoeken van kinderen het nodig kan zijn dat een asielautoriteit een grotere bewijslast op zich neemt, vooral wanneer het een niet-begeleide minderjarige betreft. Dit is dus eveneens van toepassing op de verzoekende partij.
Na een grondige lezing van het persoonlijk onderhoud blijkt dat de protection officer de verzoekende partij uitgebreid heeft bevraagd over haar vluchtrelaas en gedetailleerde vragen heeft gesteld over de elementen die aanleiding hebben gegeven om haar regio en land van herkomst te verlaten. Tijdens deze ondervraging bleek echter reeds dat verzoekende partij op meerdere momenten moeilijkheden had om de vragen te begrijpen. De protection officer trachtte hier rekening te houden met haar kwetsbaar profiel als minderjarige verzoeker door vragen meerder keren te stellen of ze op een andere manier te formuleren. Naar het einde van het persoonlijk onderhoud toe, geeft de advocaat van verzoekende partij aan dat verzoekende partij verwesterd is en hierdoor problemen zou ondervinden bij een terugkeer naar Afghanistan. De protection officer stelt verzoekende partij hier vervolgens terecht enkele vragen over, maar uit haar antwoorden blijkt duidelijk dat zij de vragen opnieuw niet begrepen heeft. Wanneer de advocaat van verzoekende partij suggereert dat het nuttig zou kunnen zijn om gebruik te maken van een andere vraagstelling aangezien verzoekende partij het niet begrijpt, stelt de protection officer de vraag of verzoekende partij ‘bepaalde zaken in België gewoon is die zij zou missen bij een terugkeer naar Afghanistan’. Verzoekende partij geeft hierop het antwoord dat zij bijvoorbeeld meer mogelijkheden heeft zoals bijvoorbeeld onderwijs. Hier wordt echter niet dieper op ingegaan. Bovendien werden er geen afrondende vragen gesteld aan verzoekende partij om na te gaan zij zelf nog iets wenste toe te voegen.
De Raad is van oordeel dat de protection officer de verzoekende partij meer gedetailleerde en diepgaandere vragen had moeten stellen over haar verblijf in België, de invloed van haar verblijf in België op haar persoon en mentaliteit en de mogelijke gevolgen hiervan bij een mogelijke terugkeer naar Afghanistan, rekening houdend met haar kwetsbaar profiel als minderjarige. Bovendien maakt de protection officer in zijn vraagstelling gebruik van vragen zoals ‘ben je veranderd als persoon?’. Uit het geheel van het persoonlijk onderhoud lijkt het erop dat de verzoekende partij dergelijke vragen moeilijk begrijpt of moeilijk kan aanvullen. Gelet op haar jonge leeftijd zijn dergelijke vragen in hoofde van de verzoekende partij ook te abstract. Verzoekende partij stelt daarnaast terecht in het verzoekschrift dat zowel de verzoekende partij zelf als haar advocaat aangaven dat zij vreest om bij een terugkeer naar Afghanistan door de taliban als ongelovige beschouwd te worden en dat zij enkele concrete elementen aanhaalde zoals het feit dat verzoekende partij hier schoolloopt en in contact komt met westerse normen en waarden waar door de protection officer weinig of geen concrete vragen over gesteld zijn.
In casu is er geen zorgvuldige besluitvorming, aangezien de verzoekende partij tijdens haar persoonlijke onderhoud niet op de juiste manier werd bevraagd over haar leven in België, maar de verwerende partij toch niettemin alsnog overgaat tot een beoordeling. Daarbovenop worden door de verzoekende partij in het verzoekschrift en aanvullende nota, alsook ter terechtzitting elementen aangebracht die een grondig onderzoek rechtvaardigen gelet op de machtsovername door de taliban sinds augustus 2021, zoals het hier aangaan van relaties met meisjes en het stellen dat religie niet in de eerste plaats komt voor haar. Bovendien verklaart zij dat zij regelmatig het ochtendgebed overslaat en dat zij op vrijdag niet meer naar de moskee gaat. Verzoekende partij gaat uit en speelde volleybal in een gemengd team. In de aanvullende nota wijst zij er bijkomend nog op dat zij ondertussen reeds drie jaar in België verblijft, zij in een paardenfokkerij werkt waarvan zij de arbeidsovereenkomst neerlegt alsook een aanbevelingsbrief van haar werkgever.
In het licht hiervan is het relevant om de verzoekende partij omstandig te horen omtrent de omstandigheden en invulling van haar leven tijdens haar verblijf in België en elementen van (toegeschreven) verwestering, waarvan ze reeds een begin van bewijs levert in haar verzoekschrift en aanvullende nota, en de eventuele impact van dit alles op een terugkeer naar Afghanistan in het kader van de actuele objectieve landeninformatie, en de daarin geschetste risicoprofielen. De heersende regels en normen binnen de huidige Afghaanse samenleving, zoals vormgegeven door de taliban na hun machtsovername in augustus 2021, weerspiegelen immers niet meer volledig de Afghaanse gebruiken, waarden en normen waarin verzoeker is opgegroeid maar werden door de taliban, de huidige de facto- overheid, over het gehele Afghaanse grondgebied aanzienlijk verstrengd. Er dient dan ook een volledig en ex nunc-onderzoek te worden uitgevoerd rekening houdend met de huidige context van de strenge sociaal-religieuze richtlijnen die door de taliban zijn uitgevaardigd. De verzoekende partij is immers op minderjarige leeftijd uit Afghanistan vertrokken, en dit voor de machtsovername van de taliban.
Gelet op de vaststellingen in voorgaande punten, die wijzen op een gebrek aan een zorgvuldige beoordeling door de verwerende partij alsook de elementen die de verzoekende partij aanbrengt in haar aanvullende nota en haar verklaringen hieromtrent ter terechtzitting, besluit de Raad dat een verder en gedegen onderzoek naar vrees voor de taliban als terugkeerder met verblijf in Europa, zich opdringt.
Op basis van de elementen in het rechtsplegingsdossier kan de Raad, met inachtneming van de grenzen van een ondervraging ter terechtzitting en gelet op het ontbreken van verdere onderzoeksbevoegdheid, in deze stand van zaken het verzoek om internationale bescherming evenwel niet op nuttige wijze evalueren in het kader van een devolutief beroep.