Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 302.195 - 26-02-2024

Samenvatting

In het kader van zijn eerste beschermingsverzoek verklaart verzoeker dat hij Afghanistan heeft verlaten omwille van problemen met de overheid die hem mogelijks ging opsluiten en straffen omdat hij een houten box van de taliban in zijn winkel had bewaard. Daarnaast vreest hij vermoord te zullen worden door de taliban, die vermoedden dat hij een spion was. De commissaris-generaal oordeelt in zijn beslissing van 15 maart 2022 dat er geen geloof kan worden gehecht aan zijn asielrelaas. Na beroep oordeelt de Raad in zijn arrest nr. 290 304 d.d. 15 juni 2023 dat er geen geloof kan worden gehecht aan verzoekers nieuwe verklaring dat hij zes maanden bij de Afghaanse lokale politie zou hebben gewerkt. Hiernaast concludeert de Raad dat verzoeker het niet aannemelijk maakt dat hij vreest voor vervolging vanwege een verhoogd risico om bij terugkeer te worden beschouwd als verwesterd of als een ongelovige omwille van een langdurig verblijf in Europa. Bijgevolg weigert de Raad verzoeker de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus toe te kennen.
In het kader van zijn huidig en tweede beschermingsverzoek verklaart verzoeker dat hij naar een vriend in Frankrijk was gegaan omdat hij uit het opvangcentrum werd gezet. Hij keerde terug naar België omdat hij van de asielinstanties in Frankrijk te horen kreeg dat dit moest. Hij geeft aan dat hij niet geboren is in Afghanistan, maar wel in Peshawar (Pakistan) en dat hij pas in 2015 terugkeerde naar Afghanistan. Na een viertal maanden zou hij naar Turkije zijn vertrokken, waar hij een aantal maanden verbleef totdat hij gedeporteerd werd naar Afghanistan. Hij verklaart zich hierna voor ongeveer zes maanden te hebben aangesloten bij de Afghaanse lokale politie. Toen hij echter dreigtelefoons van de taliban ontving, besloot hij terug te keren naar Turkije en van daaruit verder te reizen naar Europa. Ter staving van zijn relaas legt hij de volgende documenten neer: documenten met betrekking tot zijn scholing in Pakistan, de vluchtelingenkaarten (“Afghan Citizen Card”) van hemzelf en zijn vader, zijn Pakistaanse vaccinatiekaart, documenten aangaande de vrijwillige terugkeer van zijn familie naar Afghanistan in 2008, zijn badge en bankkaart van de lokale politie en twee trainingscertificaten van de lokale politie (AD CGVS, Verklaring volgend verzoek 20 juli 2023, vraag 17 en 19). Gevraagd wat hij vreest bij terugkeer antwoordt verzoeker dat hij vreest gedood te zullen worden door de taliban enerzijds omwille van zijn tewerkstelling voor de lokale Afghaanse politie en anderzijds omwille van het feit dat hij is opgegroeid in Pakistan (AD CGVS, Verklaring volgend verzoek 20 juli 2023 vraag 10, 20 en 21) en reeds jaren in westerse landen woont waardoor zijn manier van denken totaal verschillend is (AD CGVS, Verklaring volgend verzoek 20 juli 2023, vraag 20). Hij verklaart voorts dat de problemen van zijn eerste interview niet langer bestaan en dat hij nu de ware redenen voor zijn vertrek uit Afghanistan heeft verteld (AD CGVS, Verklaring volgend verzoek 20 juli 2023 vraag 13, 20 en 21). Hij voegt in het verzoekschrift nog toe dat zijn vrees voor vervolging gebaseerd is op een nieuw element, met name zijn seksuele geaardheid die het onmogelijk voor hem maakt om terug te keren naar zijn land van herkomst.
De kernvraag is of de door verzoeker ingeroepen elementen niet alleen kunnen worden gekwalificeerd als nieuwe elementen maar ook als nieuwe elementen die de kans aanzienlijk groter maken dat verzoeker voor erkenning als vluchteling of voor de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus in aanmerking komt.
Ten eerste verwijst verzoeker in het kader van zijn tweede verzoek om internationale bescherming opnieuw naar zijn werkzaamheden bij de Afghaanse lokale politie gedurende zes maanden.
Verzoeker maakte hiervan reeds melding in het kader van de beroepsprocedure voor de Raad, ingediend tegen zijn eerste weigeringsbeslissing. Ter staving ervan legde hij toen een originele badge en een originele bankkaart voor. In zijn arrest nr. 290.304 van 15 juni 2023 oordeelde de Raad dat geen geloof kon worden gehecht aan verzoekers verklaring dat hij in 2016 gedurende een periode van zes maanden gewerkt heeft bij de Afghaanse lokale politie en dat de originele badge en originele bankkaart, die hij toonde ter terechtzitting, hieraan geen afbreuk kunnen doen. Er dient aan herinnerd te worden dat de Raad niet de bevoegdheid heeft om opnieuw uitspraak te doen over elementen die reeds in beslissingen met betrekking tot eerdere verzoeken om internationale bescherming werden beoordeeld. Die elementen moeten immers als vaststaand worden beschouwd, gelet op het feit dat de desbetreffende beslissingen niet binnen de wettelijk bepaalde termijn werden aangevochten of een beroep ertegen werd verworpen, tenzij de verzoeker nieuwe elementen aanbrengt die afbreuk doen aan de determinerende motieven van een eerdere weigeringsbeslissing. Dit neemt echter niet weg dat de Raad bij de beoordeling van een volgend verzoek om internationale bescherming rekening mag houden met alle feitelijke elementen, ook met elementen die resulteren uit verklaringen die gedurende de behandeling van een vorig verzoek om internationale bescherming zijn afgelegd.
Verzoeker legt in het kader van zijn huidig volgend verzoek om internationale bescherming, bovenop de reeds hoger vermelde originele badge en bankkaart, nog twee originele trainingscertificaten van de Afghaanse lokale politie voor (AD CGVS, documenten voorgelegd door de asielzoeker, stuk 7). Verzoeker licht toe dat hij die trainingscertificaten samen ontvangen heeft met de badge en bankkaart en dat hij die verkreeg via een vriend uit Iran toen hij in Parijs verbleef (AD CGVS, Verklaring volgend verzoek 20 juli 2023 vraag 19). In het licht van die verklaringen, is het uiterst eigenaardig dat verzoeker zijn originele trainingscertificaten nu pas neerlegt, terwijl hij die reeds tijdens zijn beroepsprocedure voor de Raad in handen had. Verzoeker biedt geen dienstige uitleg voor dergelijke laattijdige neerlegging, ook niet middels zijn verzoekschrift, wat de algehele geloofwaardigheid van zijn relaas niet ten goede komt. Het loutere feit dat verzoeker een training zou hebben gevolgd en hiervoor een certificaat werd overhandigd, laat overigens niet toe aan te nemen dat hij nadien ook effectief tewerkgesteld werd voor de Afghaanse lokale politie. Hierbij komt dat verzoeker evenmin enige bijkomende inhoudelijke verklaringen heeft afgelegd betreffende zijn vermeende tewerkstelling die een ander licht kunnen werpen op de eerdere beoordeling die gemaakt werd in ’s Raads arrest nr. 209.304. Ten overvloede kan overigens nog worden opgemerkt dat verzoeker niet consistent is over de redenen voor de stopzetting van zijn vermeende werkzaamheden bij de lokale politie. In zijn verklaring volgend verzoek geeft hij aan dat hij stopte omdat hij dreigtelefoons kreeg van de taliban en dat zijn familie niet wilde dat hij daar nog langer werkte (AD CGVS, Verklaring volgend verzoek 20 juli 2023 vraag 19), terwijl hij nadien aangeeft dat hij geconfronteerd werd met veel gevechten en zichzelf genoodzaakt zag te vluchten (brief Antigone advocaten d.d. 13.09.23, p. 6). Verzoekers wisselende verklaringen treden zijn reeds ongeloofwaardig bevonden verklaringen in kracht bij. Bovendien blijkt, zoals reeds geoordeeld in ’s Raads arrest nr. 290.314, ook thans uit objectieve informatie aanwezig in het administratief dossier dat in Afghanistan en zelfs daarbuiten zeer gemakkelijk op niet-reguliere wijze, via corruptie en vervalsers, Afghaanse ‘officiële’ documenten kunnen verkregen worden. Veel Afghaanse documenten zijn, ook na gedegen onderzoek door Afghaanse deskundigen, niet van authentieke documenten te onderscheiden. Gelet op voorgaande is de bewijswaarde van dergelijke documenten en in casu de trainingscertificaten bijzonder relatief. (AD CGVS, Landeninformatie, COI Focus “Afghanistan. Corruptie en documentenfraude” van 14 januari 2021 (update)). Er wordt in deze aan herinnerd dat de Raad, bij verwerping van de aangebrachte stukken, niet dient aan te tonen dat ze vals zijn, maar het volstaat duidelijk aan te geven waarom deze stukken naar hun oordeel geen of onvoldoende bewijswaarde bezitten, quod in casu (RvS 18 juni 2004, nr. 132.669; RvS 7 oktober 2003, nr. 123.958; RvS 18 juni 2003, nr. 120.714). Gelet op zowel de inhoud als de zeer relatieve bewijswaarde van de twee trainingscertificaten, kunnen die geen afbreuk doen aan de eerder gedane vaststelling dat verzoeker zijn profiel als lokaal politieagent niet aannemelijk maakt. Voormelde documenten alsook de daarmee gepaard gaande verklaringen kunnen aldus niet beschouwd worden als nieuwe elementen die de kans aanzienlijk groter maken dat hij in aanmerking komt voor de internationale beschermingsstatus.
In het kader van het huidig tweede verzoek om internationale bescherming wijzigt verzoeker zijn verklaringen voor wat betreft de duur van zijn verblijf in Afghanistan. Hij werpt op dat hij in Pakistan geboren is en daar tot eind 2014 gewoond heeft. Hij beweert hierna naar Afghanistan te zijn vertrokken en daar tot oktober/november 2015 te zijn verbleven totdat hij terugkeerde naar Turkije. Vervolgens zou hij een aantal maanden in Turkije hebben verbleven, tot hij in februari/maart 2016 gedeporteerd werd naar Afghanistan. In december 2016 zou hij dan opnieuw naar Turkije zijn gevlucht. Verzoeker meent niet te kunnen terugkeren naar Afghanistan omdat hij in Pakistan opgegroeid is en hij een verschillende wijze van denken heeft dan deze van de taliban (AD CGVS, Verklaring volgend verzoek 20 juli 2023 vraag 10, 20 en 21 en brief Antigone advocaten d.d. 13.09.23 p. 7-8). In het kader van zijn eerste beschermingsverzoek gaf hij nochtans aan dat hij in Afghanistan gewoond heeft tot 2018 en dat hij slechts Pakistan doorkruist heeft op zijn doorreis naar Europa (AD CGVS, eerste verzoek, Verklaring DVZ 23.12.2020, punt 32). Hij verklaarde voorts dat hij in Jokan, gelegen in het district Hesarak, Afghanistan is geboren en er ook altijd heeft gewoond. Hij verklaarde verder in Afghanistan naar school te zijn gegaan tot de zesde klas, dat hij een klein beetje kan lezen en schrijven in Pasthu en dat hij geen andere talen kent dan een klein beetje Turks omdat hij daar vijftien maanden zou hebben gewoond (NPO, p. 3-4). Op twaalfjarige leeftijd zou hij dan begonnen zijn met een eigen kledingwinkel (NPO, p. 6). Ter staving van zijn eerste beschermingsverzoek legde verzoeker zijn taskara of Afghaanse identiteitsbewijs alsook kopieën van de taskara's van zijn vader, moeder en echtgenote neer. Zowel door de commissaris- generaal als door de Raad werd hieromtrent geoordeeld dat deze documenten een indicatie vormen voor zijn identiteit, herkomst en gezinssituatie en dat dit elementen zijn die niet betwist worden.
Verzoeker tracht zijn vermeende langdurig verblijf in Pakistan, opgeworpen in zijn volgend verzoek om internationale bescherming, te staven aan de hand van schooldocumenten, een Pakistaanse verblijfskaart, een Pakistaanse vaccinatiekaart, een Pakistaanse verblijfskaart van zijn vader, een document van UNHCR betreffende vrijwillige terugkeer en een brief van zijn raadsman (AD CGVS, documenten voorgelegd door de asielzoeker, stukken 1, 2, 3, 4, 5 en 8). Stuk 1 betreft enerzijds een schoolrapport afgegeven op 22 februari 2012 door een school in Mirpur en anderzijds een weekoverzicht van lessen de eerste week van maart 2014. Hieruit kan hoogstens worden afgeleid dat verzoeker voorafgaand aan 22 februari 2012 (enige) tijd school heeft gelopen in Pakistan. Omtrent de Pakistaanse registratie- en vaccinatiekaarten (stukken 2 t.e.m. 4) verklaart verzoeker slechts dat deze dienen als bewijs van zijn verblijf in Pakistan. Hij blijkt niet in staat hierover enige verdere duiding te geven en laat te preciseren wanneer deze documenten zouden zijn afgegeven. Evenmin kan dergelijke informatie worden afgeleid uit de desbetreffende stukken. Met het document van vrijwillige terugkeer (stuk 5) wenst verzoeker aan te tonen dat hij en zijn gezin reeds in 2008 zijn teruggekeerd naar Afghanistan. Zijn uitleg dat ze er slechts 25 dagen zouden zijn verbleven en nadien onmiddellijk zijn teruggekeerd naar Pakistan, is niet meer dan een blote bewering, die niet onderbouwd wordt door de voorliggende stukken. Op basis van verzoekers uiterst summiere verklaringen omtrent zijn verblijf in Pakistan in samenhang bekeken met de zeer summiere documenten omtrent zijn verblijf aldaar, kan geenszins worden besloten dat verzoekers verklaringen afgelegd tijdens zijn eerste beschermingsverzoek omtrent zijn verblijf in Afghanistan, die niet betwist werden door de commissaris-generaal noch door de Raad, buiten beschouwing moeten worden gelaten of worden weerlegd. Bovendien klemt zijn verklaring, langdurig in Pakistan te hebben verbleven, met de vaststelling dat hij dermate weinig stukken hiervan voorlegt en uiterst vage verklaringen hieromtrent aflegt, wat de geloofwaardigheid ervan verder ondermijnt. Hij geeft ook geen enkele verantwoording voor het feit dat hij tijdens zijn eerste beschermingsverzoek in staat was zoveel informatie en documenten voor te leggen omtrent zijn verblijf in Afghanistan. Bovendien betreffen alle documenten die verzoeker voorlegt fotokopieën die gemakkelijk door knip- en plakwerk kunnen worden gefabriceerd waardoor er hoe dan ook slechts een beperkte bewijswaarde aan kan worden verleend (cf. RvS 25 juni 2004, nr. 133.135). Hoewel hij in het verzoekschrift stelt deze in origineel te kunnen voorleggen, liet hij na ze over te maken aan de Raad. Verzoeker kon evenmin zijn status in de PoR-databank bij UNHCR België bevestigen, gezien zij niet tijdig geantwoord hebben (verzoekschrift, stuk 13 en AN 17 januari 2024). Voormelde documenten kunnen, hun relatieve bewijswaarde buiten beschouwing gelaten, hoogstens een indicatie vormen van verzoekers aanwezigheid in Pakistan, doch tonen hoegenaamd niet aan dat verzoeker er zou zijn geboren en evenmin dat hij daar samen met zijn gezin tot 2015 zou hebben verbleven.
Verzoeker stelt simpelweg gelogen te hebben in het kader van zijn eerste persoonlijk onderhoud, doch biedt geen enkele verklaring waarom hij dan in staat was de hem gestelde vragen omtrent zijn verblijf in Afghanistan te beantwoorden en documenten dienaangaande neer te leggen (zie supra). Waar hij in zijn verzoekschrift stelt dat hij tijdens zijn vorige verzoek bang gemaakt was door anderen, die hem zeiden dat hij door zijn verblijf in Pakistan niet in aanmerking zou komen voor internationale bescherming en dat hij in het kader van zijn eerste verzoek heeft gelogen (AD CGVS, Verklaring volgend verzoek 20 juli 2023, vraag 21 en brief Antigone advocaten d.d. 13.09.23 p. 5), slaagt hij er niet in te overtuigen. Van een verzoeker, die een dringende nood aan internationale bescherming stelt te hebben, mag worden verwacht dat hij, wanneer hij in Europa om bescherming vraagt, reeds van bij de aanvang alle elementen ter ondersteuning van zijn verzoek om internationale bescherming op correcte wijze en zo accuraat mogelijk aanbrengt, zeker de elementen die de directe aanleiding vormen van zijn vertrek of vlucht uit het land van herkomst. Hij dient dit zo volledig en gedetailleerd mogelijk te doen en dit reeds van bij het eerste interview, daar op hem de verplichting rust om zijn volledige medewerking te verlenen aan de procedure internationale bescherming. Verzoeker kan de verantwoordelijkheid voor zijn eigen verklaringen niet afschuiven op derden. Aan het feit dat iemand zich wendt tot de autoriteiten van een bepaald land teneinde er diens status van vluchteling te doen erkennen, is bovendien inherent het vertrouwen verbonden in de autoriteiten waaraan men de bescherming vraagt. Bovendien neemt deze verklaring niet weg dat verzoeker, naast zijn verblijf in Pakistan, tevens leugenachtige verklaringen aflegde met betrekking tot zijn problemen met de taliban en de overheid en de redenen voor zijn vertrek. Zijn voorgaande toegegeven leugenachtige en verzonnen verklaringen ondermijnen ten stelligste zijn algemene geloofwaardigheid. Uit het geheel van verzoekers verklaringen en de stukken die hij voorlegt blijkt evenwel dat hij niet heeft voldaan aan zijn medewerkingsplicht, zoals op goede gronden toegelicht in de bestreden beslissing. Verzoeker heeft immers getracht de Belgische autoriteiten intentioneel te misleiden en legt vervolgens, na confrontatie met een negatieve beslissing, volledig afwijkende verklaringen af aangaande zijn herkomst en vervolgingsfeiten.
Verzoeker haalt in het verzoekschrift nog aan dat geen rekening gehouden werd met de foto’s en facebookberichten die de periode dat hij in Turkije verbleef, aanduiden. In het kader van zijn eerste beschermingsverzoek werd nochtans geoordeeld dat verzoeker niet consistent was over de duur van zijn verblijf in Turkije. Ook werd reeds geoordeeld dat zijn verklaringen over het tijdsverloop van zijn reis van Afghanistan tot België hiaten bevatten en hij hieromtrent wisselvallige en inconsistente verklaringen had afgelegd. Verzoeker is niet in staat voormelde vaststellingen in een ander daglicht te stellen. De bijgebrachte foto’s en facebookberichten (brief Antigone advocaten d.d. 13.09.23, stuk 5) geven hieromtrent geen verdere duidelijkheid. Ze zouden hoogstens kunnen aantonen dat hij op bepaalde momenten, namelijk eind 2017 en begin 2018 in Turkije is geweest, niet meer, niet minder. Zij bieden geen zicht op de duur van het verblijf aldaar, zelfs losgezien van het feit dat de bewijswaarde van dergelijke privé-foto’s en facebookberichten uiterst relatief is omwille van hun eenvoudig manipuleerbaar karakter en omdat zij eenvoudigweg in scène kunnen worden gezet.
De door verzoeker neergelegde stukken volstaan wegens hun inhoud in deze stand van zaken op zich niet om zijn eerder afgelegde verklaringen in een ander daglicht te stellen en om aan te nemen dat hij geboren is in Pakistan en daar tot zijn zestien jaar heeft gewoond. Verzoeker brengt in dit verband aldus geen nieuwe elementen aan die de kans aanzienlijk kunnen verhogen in aanmerking te komen voor de internationale beschermingsstatus.
Ten derde voert verzoeker in het verzoekschrift voor het eerst aan dat hij homoseksuele gevoelens heeft voor N.A., met wie hij een relatie meent te hebben. Hij schrijft het feit dat hij deze informatie niet eerder gedeeld heeft toe aan zijn angst dat dit zou uitkomen binnen de Afghaanse gemeenschap. Hij werpt op dat er begrip dient te zijn voor de evolutie van dergelijk proces en de sociale taboes rond homoseksualiteit in Afghanistan. Hij verwacht in Afghanistan vervolging te riskeren omwille van zijn seksuele geaardheid. Verzoeker voegt nog toe dat hij denkt eerder biseksueel te zijn omdat hij zich ook aangetrokken voelt tot vrouwen.
De voormelde aangevoerde vrees voor vervolging betreft een geheel nieuwe vervolgingsgrond. Deze vervolgingsgrond staat los van de elementen die verzoeker aanhaalde in het kader van zijn verzoek om internationale bescherming en die werden beoordeeld door de commissaris-generaal in de bestreden beslissing.
De vraag stelt zich in welke mate de nieuwe vervolgingsgrond, die voor het eerst wordt ingeroepen in onderhavig beroep, dient meegenomen te worden in de thans voorliggende beoordeling die neerkomt op de vraagstelling of er al dan niet nieuwe elementen zijn die de kans aanzienlijk verhogen om in aanmerking te komen voor de vluchtelingenstatus. Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, gelezen in samenhang met de verwijzing in artikel 40, lid 1, van deze richtlijn moet worden uitgelegd dat “de rechterlijke instantie waarbij beroep is ingesteld tegen een beslissing tot weigering van internationale bescherming, gronden voor de verlening van internationale bescherming of feitelijke gegevens die weliswaar betrekking hebben op gebeurtenissen of bedreigingen die zich zouden hebben voorgedaan vóór de vaststelling van die weigeringsbeslissing of zelfs vóór de indiening van het verzoek om internationale bescherming, maar die voor het eerst zijn aangevoerd tijdens de beroepsprocedure, als zijnde „nadere verklaringen” en na de beslissingsautoriteit te hebben verzocht deze te onderzoeken, in beginsel dient te beoordelen. Deze rechterlijke instantie is daartoe echter niet gehouden indien zij constateert dat deze gronden of gegevens in een te late fase van de beroepsprocedure zijn aangevoerd of niet op een voldoende concrete wijze zijn ingediend om naar behoren te worden onderzocht, of ook, wanneer het gaat om feitelijke gegevens, indien zij constateert dat deze niet van betekenis zijn of zich niet voldoende onderscheiden van de gegevens waarmee de beslissingsautoriteit reeds rekening heeft kunnen houden.” (Hof van Justitie, van 4 oktober 2018, C- 652/16, §§ 99 en 103).
Zoals reeds supra aangehaald, mag van een verzoeker om internationale bescherming redelijkerwijze verwacht worden dat deze de asielinstanties van het onthaalland, bevoegd om kennis te nemen van en te oordelen over zijn verzoek tot hulp en bescherming, in vertrouwen neemt door een waarheidsgetrouw relaas uiteen te zetten. Hij heeft de verplichting om zijn volle medewerking te verlenen bij het verschaffen van informatie over zijn verzoek om internationale bescherming en het is aan hem om de nodige feiten en alle relevante elementen aan te brengen zodat de asielinstanties kunnen beslissen over het verzoek om internationale bescherming. De medewerkingsplicht vereist dus van verzoeker dat hij de asielinstanties zo gedetailleerd en correct mogelijke informatie geeft over alle facetten van zijn identiteit, leefwereld en relaas. Van verzoeker mocht aldus in principe worden verwacht dat hij een dermate essentieel element als zijn op heden voorgehouden biseksuele geaardheid eerder gedurende zijn verzoek om internationale bescherming zou hebben gemeld. Voorgaande heeft echter niet automatisch tot gevolg dat elke nieuwe vervolgingsgrond in een te late fase van de beroepsprocedure wordt aangevoerd. Inzake een verklaarde homoseksuele of biseksuele geaardheid is het namelijk zo dat er begrip kan worden opgebracht voor het feit dat deze niet wordt aangebracht bij de eerste gelegenheid die wordt geboden om de vervolgingsgronden toe te lichten (cf. Hof van Justitie, 2 december 2014, C-148/13 - C-150/13, A, B en C tegen Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, § 72). Verzoeker geeft in dit verband aan in zijn verzoekschrift dat hij bang was dat de Afghaanse gemeenschap iets te weten zou komen over zijn geaardheid en heeft hij deze grond daarom nu pas opgeworpen, na aansporing van zijn raadsman. Dat de homoseksuele geaardheid aldus in een te late fase zou zijn ingeroepen, kan niet worden aangenomen.
Hierbij dient te worden benadrukt dat verzoeker, die zijn nieuwe vervolgingsgrond pas in het kader van zijn beroepsprocedure bij de Raad inroept, zicht dient te bieden op onder meer zijn eigen homo- of biseksuele bewustwording, ervaringen en relaties en de eigenheid van zijn homoseksualiteit, wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie is voor homoseksuelen in zijn land van herkomst of over hoe zijn ervaringen in het algemene beeld zouden passen. Van verzoeker mag aldus een omstandig, gedetailleerd en coherent relaas worden verwacht. Een aangevoerde homoseksuele geaardheid kan slechts aannemelijk worden geacht wanneer de verzoeker om internationale bescherming blijk geeft van een diepgaande emotionele, affectieve en seksuele aantrekking tot personen van hetzelfde geslacht.
In casu legt verzoeker verschillende foto’s neer waarop hij met zijn vriend N.A. te zien zou zijn (verzoekschrift, stuk 14) en enkele screenshots van gesprekken gevoerd op sociale media (verzoekschrift, stuk 14 en aanvullende nota 22 januari 2024, beëdigde vertaling). Verzoeker wordt ter terechtzitting achter gesloten deuren en bijgestaan door zijn raadsman de kans geboden zijn nieuwe vervolgingsgrond toe te lichten.
Gelet op de grenzen van de ondervraging ter terechtzitting, verkeert de Raad niet in de mogelijkheid om verzoekers ingeroepen geaardheid op gedegen wijze te onderzoeken en om na te gaan of de stukken en verklaringen die verzoeker bijbrengt nieuwe elementen uitmaken in de zin van artikel 57/6/2 van de Vreemdelingenwet.
Er dient naast de grenzen van de ondervraging ter terechtzitting ook rekening te worden gehouden met het feit dat verzoeker niet verweten kan worden dit element of nieuwe vervolgingsgrond in een te late fase te hebben ingeroepen om te worden onderzocht, alsook met verzoekers Afghaanse nationaliteit en de in het rechtsplegingsdossier aanwezig zijnde algemene landeninformatie. Er dient omzichtig te worden omgesprongen met die nieuwe ingeroepen vervolgingsgrond. Het geheel van voorgaande dient mee in overweging te worden genomen teneinde de situatie van verzoeker te kunnen inschatten en het noopt bijgevolg tot een nader en gedegen onderzoek.
In acht genomen wat voorafgaat en mede in aanmerking genomen dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de nodige onderzoeksbevoegdheid ontbeert, ontbreekt het de Raad aldus aan essentiële elementen om te komen tot de in artikel 39/2, § 1, tweede lid, 1° van de Vreemdelingenwet bedoelde bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen. Bijgevolg dient de bestreden beslissing overeenkomstig artikel 39/2, § 1, tweede lid, 2° van de Vreemdelingenwet te worden vernietigd.
De beslissing genomen door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 26 september 2023 wordt vernietigd.