Samenvatting
In de bestreden beslissing heeft verweerder de aanvraag om een gecombineerde vergunning afgewezen op grond dat verzoeker "niet reeds was toegelaten of gemachtigd om voor een periode van ten hoogste negentig dagen [overeenkomstig titel I, hoofdstuk II], of voor een periode van meer dan negentig dagen [overeenkomstig titel II, hoofdstukken III en VI] in het Koninkrijk te verblijven, op het ogenblik van de indiening van zijn aanvraag op het grondgebied van het Koninkrijk” aangezien “het inschrijvingsbewijs dat wordt afgeleverd in het kader van een aanvraag tot internationale bescherming geen verblijfstitel is die hem toelaat of die hem toelaat in België te verblijven overeenkomstig titel I, hoofdstuk II of overeenkomstig titel I, hoofdstuk III, en die hem toelaat zijn aanvraag tot een gecombineerde vergunning in België in te dienen".
Deze redenering wordt bevestigd door een onderzoek van het administratieve dossier en wordt niet op geldige wijze betwist door verzoeker, die enkel aanvoert dat "de door de wederpartij gegeven uitlegging van artikel 61/25-5 van de wet, en bijgevolg van artikel 4. 1 van de richtlijn, inhoudt dat verzoeker [...], om een gecombineerde vergunning te verkrijgen, zou moeten wachten op de positieve uitkomst van zijn verzoek om internationale bescherming of eerst naar Angola zou moeten gaan en dan een nieuwe aanvraag om internationale bescherming zou moeten indienen en dus moet afzien van het beroep dat hij in het kader van zijn verzoek om internationale bescherming bij uw Raad heeft ingesteld". In dit verband merkt de Raad op dat verzoeker ten tijde van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning in het bezit was van een registratiebewijs dat hij in het kader van zijn verzoek om internationale bescherming had verkregen. In dit verband, en in navolging van verweerder, wijst de Raad erop dat overeenkomstig artikel 9 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de verlening of intrekking van internationale bescherming:
“1. Verzoekers mogen in de lidstaat blijven, louter ten behoeve van de procedure, totdat de beslissingsautoriteit een beslissing heeft genomen overeenkomstig de in hoofdstuk III vastgestelde procedures in eerste aanleg. Dit recht om in de lidstaat te blijven vormt geen recht op een verblijfstitel.”
Bijgevolg heeft zij niet aangetoond dat zij het recht heeft om op Belgisch grondgebied een verblijfsvergunning aan te vragen om er te werken.
Wat de uitlegging van het Belgische recht in overeenstemming met het recht van de Unie betreft, merkt de Raad met name onder verwijzing naar artikel 61/25 van de wet van 15 december het volgende op:
"Het hoofddoel van deze richtlijn is de procedure voor de toelating van onderdanen van derde landen die in de lidstaten willen werken te vereenvoudigen en de thans in de lidstaten geldende regels te harmoniseren. Een dergelijke procedurele vereenvoudiging biedt migranten en hun werkgevers een efficiëntere procedure en vergemakkelijkt de controle van de wettigheid van hun verblijf en van hun toelating tot de arbeidsmarkt". (Wetsvoorstel houdende goedkeuring van de bovengenoemde samenwerkingsovereenkomst, Doc. Ch. repr. 2017-2018 54, nr. 2933/001, p.5).”
Uit de richtlijn blijkt niet dat zij tot doel heeft de afgifte van een verblijfstitel toe te staan aan onderdanen van derde landen die zonder verblijfstitel op het grondgebied van een lidstaat verblijven. Integendeel, de Raad merkt op dat artikel 4, lid 1, van de richtlijn gecombineerde vergunning dit standpunt bevestigt, aangezien deze bepaling duidelijk het volgende bepaalt:
“Indien de aanvraag door de onderdaan van een derde land moet worden gedaan, staan de lidstaten toe dat de aanvraag vanuit een derde land wordt ingediend, of, indien het nationale recht daarin voorzien, vanaf het grondgebied van de lidstaat waar de onderdaan van een derde land legaal aanwezig is.”
Verweersters uitlegging van de bestreden bepaling is in overeenstemming met de ratio legis van artikel 61/25-5 van de wet van 15 december 1980 en artikel 4.1 van de richtlijn betreffende de gecombineerde vergunning.