Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 310.117 - 17-07-2024

Samenvatting

Uit de motieven van de bestreden beslissing blijkt niet dat de verwerende partij het huwelijk van verzoekster en de heer S.M. als een schijnhuwelijk heeft aangemerkt. De verwerende partij heeft evenmin geoordeeld dat de voorgelegde huwelijksakte vals of vervalst zou zijn, noch werd er enige vorm van fraude vastgesteld. De verwerende partij weigert wel de aanvraag van verzoekster nu zij gepoogd heeft, door gebruik van een onwettig middel, namelijk een huwelijksakte die werd afgesloten om de Belgische wet te ontduiken, het verblijfsrecht te verkrijgen. Wat betreft deze wetsontduiking verwijst de verwerende partij naar artikel 18 van het Wetboek Internationaal Privaat Recht (hierna: WIPR) en stelt zij dat “de vermeende echtgenoten de handeling hebben gesteld zich naar Denemarken te begeven om te huwen zonder dat één van beiden kennelijk een band heeft met Denemarken om op die manier de Belgische procedure van voorgenomen huwelijk met de huwelijksmelding, het daaropvolgende onderzoek en ten slotte de huwelijkssluiting of weigering in België te omzeilen”. De verwerende partij weigert de voorgelegde Deense huwelijksakte dan ook te erkennen. Daarbij wijst zij ook op artikel 21 van het WIPR en stelt zij dat het erkennen van het huwelijk dat werd afgesloten in Denemarken een inbreuk zou kunnen vormen op de openbare orde in België, aangezien het huwelijksinstituut een wezenlijk bestanddeel uitmaakt van de Belgische rechtsorde en een miskenning van dat instituut een schending kan uitmaken van de Belgische openbare orde.

Verzoekster betoogt dat de conclusie dat de Deense huwelijksakte wordt beschouwd als onwettig middel niet, in elk geval niet afdoende is gemotiveerd en niet gesteund is op zorgvuldige overwegingen. Zij hekelt dat de verwerende partij uitgaat van een automatisme, met name dat het verblijfsrecht wordt geweigerd wanneer een Deense huwelijksakte wordt voorgelegd, en dat uit de motieven niet afdoende blijkt hoe de verwerende partij na eigen onderzoek en beoordeling overeenkomstig het toepasselijk recht komt tot de conclusie dat de rechtsgeldigheid van de door verzoekende partij bijgebrachte Deense huwelijksakte met apostille is aangetast en een vorm van wetsontduiking is. Tevens betoogt zij dat dergelijk individueel onderzoek van verzoeksters concrete geval niet is gevoerd. Zij wijst erop dat zij op geen enkel moment bevraagd is over hun relatie, het waarom van het huwen in Denemarken, de Deense huwelijksakte met apostille en de totstandkoming hiervan waarvan nochtans documenten voorhanden zijn. Daarenboven betoogt zij dat zij de Belgische wet inzake de procedure van voorgenomen huwelijk niet kunnen hebben ontdoken, aangezien zij geen Belg zijn en op het moment van het sluiten van het huwelijk niet in België verbleven en artikel 44 van het WIPR enkel toelaat dat het huwelijk in België wordt voltrokken indien een van de toekomstige echtgenoten bij de voltrekking Belg is, zijn woonplaats of sinds meer dan drie maanden zijn gewone verblijfplaats in België heeft. Tot slot stelt zij dat ook de verwijzing in de bestreden beslissing naar artikel 21 van het WIPR als vermeende juridische basis niet gemotiveerd is en de bestreden beslissing niet kan schragen. Uit de in de bestreden beslissing zelf gebruikte termen “zou” en “kan” blijkt immers dat de verwerende partij zelf niet eens zeker is van de kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde, aldus verzoekster.

In eerste instantie dient te worden opgemerkt dat verzoekster terecht opwerpt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (hierna: de Raad) geen rechtsmacht heeft om zich uit te spreken over de rechtsgeldigheid van een beslissing waarbij wordt geweigerd een buitenlandse akte te erkennen. De wetgever heeft in artikel 27, § 1, vierde lid van het WIPR immers uitdrukkelijk gesteld dat de rechtbank van eerste aanleg bevoegd is om te oordelen aangaande betwistingen inzake de geldigheid van een buitenlandse authentieke akte. Dit sluit evenwel niet uit dat de Raad wel bevoegd is om na te gaan of de verwerende partij bij het nemen van de in casu bestreden beslissing tot weigering van verblijf van meer dan drie maanden de hiertoe aangewende wetsbepalingen correct heeft toegepast (RvS 18 maart 2009, nr. 191.552) en of er geen schending is van wettelijke verplichtingen of van bepaalde beginselen van behoorlijk bestuur die door de verwerende partij moeten worden gerespecteerd bij het nemen van een bestuurlijke beslissing.

Uit de motieven van de bestreden beslissing komt naar voor dat de verwerende partij de wetsontduiking, zoals bedoeld in artikel 18 van het WIPR, beschouwt als het gebruik van een onwettig middel in de zin van artikel 43, § 1, 1° van de Vreemdelingenwet.

Artikel 18 van het WIPR bepaalt:

“Voor de bepaling van het toepasselijk recht in een aangelegenheid waarin partijen niet vrij over hun rechten kunnen beschikken, wordt geen rekening gehouden met feiten en handelingen gesteld met het enkele doel te ontsnappen aan de toepassing van het door deze wet aangewezen recht.”

Artikel 18 van het WIPR moet restrictief worden geïnterpreteerd. Er is slechts sprake van wetsontduiking wanneer uit de feitelijke omstandigheden blijkt dat partijen het buitenlands element uitsluitend hebben gebruikt om aan een bepaalde regel te ontsnappen. Hierbij dient een onderscheid te worden gemaakt tussen het omzeilen van de verblijfswetgeving en het omzeilen van de regels van het WIPR. Artikel 18 van het WIPR viseert enkel de situaties waarbij het door dit wetboek aangewezen recht wordt omzeild en heeft niet tot doel op te treden tegen misbruiken of ontduiken van de verblijfswetgeving voor vreemdelingen (zie Rb. Luik 12 juni 2009, RTDF 2010/4, 1112).

De loutere vaststelling van wetsontduiking, zoals bedoeld in artikel 18 van het WIPR, volstaat dan ook niet om het verblijf te weigeren. Artikel 43, § 1, 1° van de Vreemdelingenwet vereist daartoe immers dat sprake is van valse of misleidende informatie, valse of vervalste documenten, fraude of andere onwettige middelen en bij deze beoordeling is, zoals hoger werd uiteengezet, een individueel onderzoek van het concrete geval vereist. In casu blijkt evenwel dat de verwerende partij zich enkel heeft gebaseerd op de overweging dat geen van de vermeende echtgenoten kennelijk een band heeft met Denemarken en dat zij alsnog naar Denemarken zijn gegaan om te huwen om op die manier de Belgische procedure van voorgenomen huwelijk met de huwelijksmelding, het daaropvolgende onderzoek en ten slotte de huwelijkssluiting of weigering in België te omzeilen. Uit niets blijkt dat de concrete en individuele omstandigheden van verzoekster en de heer S.M. hierbij in rekening werden genomen. Zo blijkt niet dat de verwerende partij de oprechtheid van het afgesloten huwelijk heeft onderzocht, noch de redenen waarom het huwelijk in Denemarken werd gesloten. Dit klemt des te meer nu verzoekster wijst op artikel 44 van het WIPR en het feit dat zij op het moment van het sluiten van het huwelijk op 17 maart 2023 niet in België hadden kunnen huwen, gelet op hun nationaliteit en verblijf buiten België. Overeenkomstig artikel 47 van het WIPR worden de vormvereisten voor de voltrekking van het huwelijk beheerst door het recht van de staat op wiens grondgebied het huwelijk voltrokken wordt. De verwerende partij ontkent geenszins dat verzoekster en de referentiepersoon voldeden aan alle vereisten van de Deense wetgeving.

De verwerende partij zet verder ook niet uiteen hoe uit het feit dat verzoekster in een ander land dan België huwde automatisch zou kunnen worden afgeleid dat er sprake zou zijn van een miskenning van het huwelijksinstituut en de erkenning van dit huwelijk een inbreuk zou kunnen vormen op de openbare orde in de zin van artikel 21 van het WIPR. Het enkele feit dat verzoekster niet in België huwde en hierdoor andere rechtsregels van toepassing waren, volstaat niet om hiertoe te besluiten. Dit klemt des te meer nu, zoals verzoekster terecht opmerkt, de verwerende partij enkel spreekt in hypothesen.

Gelet op het bovenstaande moet worden besloten dat verzoekster terecht aanvoert dat de bestreden beslissing niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en niet afdoende is gemotiveerd op grond waarvan de verwerende partij tot de vaststelling kwam dat verzoekster een onwettig middel gebruikte in de zin van artikel 43, § 1, 1° van de Vreemdelingenwet.

Een schending van artikel 43 van de Vreemdelingenwet in samenhang met de formele motiveringsplicht in de zin van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 enerzijds en het zorgvuldigheidsbeginsel anderzijds wordt aannemelijk gemaakt.

Het enig middel is in de besproken mate gegrond.