Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 311.407 - 14-08-2024

Samenvatting

Uit het rechtsplegingsdossier blijkt dat verzoeker Afghanistan verliet in augustus 2015, in België is aangekomen in september 2015 en in augustus 2016 de subsidiaire beschermingsstatus heeft verkregen omwille van zijn afkomst uit het district Surkhrod in de provincie Nangarhar. Deze status werd opgeheven op 12 februari 2021 door de commissaris-generaal omdat, rekening houdend met zijn persoonlijke omstandigheden redelijkerwijze kon worden verwacht dat hij zich in Jalalabad vestigde om zich te onttrekken aan het willekeurig geweld dat zich toen voordeed in zijn regio van herkomst in Afghanistan. Het is niet betwist dat verzoeker de Afghaanse nationaliteit bezit en afkomstig is uit het dorp Moghul Khel in het district Surkhrod in de provincie Nangarhar. Evenmin wordt verzoekers identiteit door de commissaris-generaal in twijfel getrokken.

Verzoeker voert in het verzoekschrift en in zijn aanvullende nota’s als nieuw element een vrees voor vervolging omwille van toegeschreven verwestering aan. Hij verwijst daarbij naar zijn lang en deels legaal verblijf in België, het inburgeringstraject dat hij heeft gevolgd en zijn beroepsactiviteiten in België.

Beschermingsverzoeken gebaseerd op (toegeschreven) verwestering of normoverschrijding in het buitenland kunnen verband houden met de vervolgingsgronden politieke of religieuze overtuiging of het behoren tot een specifieke sociale groep.

(…)

In casu blijkt uit het rechtsplegingsdossier en verzoekers verklaringen ter terechtzitting dat hij al negen jaar in België woont en dat hij probeerde zijn echtgenote en dochter na de toekenning van zijn subsidiaire beschermingsstatus via gezinshereniging naar België te laten overkomen, maar dat zijn aanvraag te laat werd ingediend. Uit verzoekers verklaringen en de door hem neergelegde documenten in het kader van zijn huidig volgend verzoek om internationale bescherming blijkt dat verzoeker in augustus 2017 gedurende ongeveer een maand en in augustus 2020 gedurende 17 dagen terugkeerde naar Afghanistan respectievelijk omwille van de ziekte van zijn echtgenote en het overlijden van zijn oudste dochter. De reden voor verzoekers reizen in 2017 en 2020 naar Afghanistan is niet betwist en uit het geheel van verzoekers overige documenten die betrekking hebben op zijn activiteiten in België blijkt dat hij hierna verder werkte in het ziekenhuis in Antwerpen tijdens de coronaperiode. Verzoekers tijdelijke terugkeer naar Afghanistan hield uitsluitend verband met de medische situatie van zijn echtgenote en de ziekte en het tragische overlijden van zijn dochter en vond plaats lang voor de machtsovername door de taliban. Deze kortstondige periodes van terugkeer zijn bijgevolg niet relevant voor de beoordeling van het risico voor verzoeker om in het huidige Afghanistan als verwesterd te worden beschouwd of als persoon die de morele, sociale of religieuze regels in het buitenland heeft overschreden en om die reden vervolgd te worden in geval van terugkeer in de huidige sterk gewijzigde politiek-religieuze context in Afghanistan.

Verzoeker legt door middel van zijn aanvullende nota een aantal documenten neer met betrekking tot de invulling van zijn leven en activiteiten sinds zijn aankomst in België in 2015. Uit het attest van Atlas Antwerpen van 1 oktober 2018 blijkt dat verzoeker het programma inburgering met succes heeft volbracht en is geslaagd voor maatschappelijke oriëntatie en Nederlands niveau A1 en A2, mondeling en schriftelijk. Ook uit zijn toelichting ter terechtzitting blijkt zijn uitstekende kennis van de Nederlandse taal. Verder legt verzoeker ook documenten neer met betrekking tot zijn tewerkstelling via het OCMW in 2019 en een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur tussen verzoeker en het Ziekenhuisnetwerk Antwerpen Vzw van 30 april 2020. Verzoeker licht toe dat hij steeds in het ziekenhuis werkte tot zijn status werd ingetrokken. Hieruit blijkt in elk geval dat verzoeker, die in België is aangekomen in 2015, een inburgeringstraject heeft gevolgd, de taal heeft geleerd en ook lange tijd in een ziekenhuis heeft gewerkt. Zo hieruit als dusdanig niet kan worden afgeleid dat verzoeker daadwerkelijk verwesterd zou zijn, blijkt hieruit wel dat hij van bij zijn aankomst actief participeert in de Belgische samenleving. Hij wordt daarbij gedurende een periode van negen jaar ondergedompeld in een maatschappij die is gebaseerd op opvattingen, waarden en normen die de uitdrukking vormen van grondrechten die zijn verankerd in het EVRM en het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, zoals gelijke behandeling van mannen en vrouwen, het recht op vrije meningsuiting en godsdienstvrijheid, die haaks staan op het gedachtegoed van de taliban. Verzoeker licht ter terechtzitting ook toe dat hij na negen jaar in België te hebben verbleven voor de taliban geen moslim meer zal zijn en dat hij niet kan leven met de gedachte dat zijn jongste dochter S. niet naar school kan gaan in Afghanistan en dat zijn echtgenote in haar vrijheid wordt beperkt. Hij verklaart ook dat elke persoon zelf zou moeten kunnen kiezen inzake zijn of haar religie en manier van leven en dat dit onder de taliban niet mogelijk is.

Hieruit blijkt dat verzoeker zijn afkeer uitdrukt van het taliban regime en de onderdrukking van vrouwen die dit regime kenmerkt en geeft daarmee uiting aan een politieke overtuiging in de zin van de hoger aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie. Er kan van verzoeker niet worden verwacht dat hij in geval van terugkeer afstand doet van zijn huidige opvattingen over de islam en zich schikt naar de voorschriften van de taliban noch dat hij de behandeling van vrouwen door het regime, waaronder zijn vrouw en nog in leven zijnde dochter stilzwijgend zou accepteren.

Gelet op het voorgaande acht de Raad de kans reëel dat verzoeker in geval van terugkeer naar zijn regio van herkomst omwille van zijn huidige opvattingen inzake het talibanregime en de positie van vrouwen en zijn eigen invulling van zijn religie zal opvallen in de lokale gemeenschap en bij de lokale talibanleiders en zal worden gepercipieerd als aangetast of beïnvloed door de waarden en normen van een westerse samenleving.

Het is verder niet betwist dat verzoeker afkomstig is uit het dorp Moghul Khel in het district Surkhrod in de provincie Nangarhar. Deze provincie gold als een bolwerk voor ISKP, een transnationale Salafi-Jihadistische organisatie die hevig gekant is tegen alles wat westers is, en de organisatie is er nog steeds aanwezig (EUAA, Afghanistan. Targeting of individuals, August 2022, p. 190-192), ook al is haar slagkracht over het algemeen recent verminderd door gerichte acties van de taliban. Nangarhar is, samen met de andere Noordoostelijke provincie Kunar en Kabul, de provincie waar zowel ACLED als UCDP het hoogste aantal aanvallen door ISKP heeft gedocumenteerd (EUAA, Afghanistan Country Focus, December 2023, p. 33, Algemeen Ambtsbericht, juni 2023, p.36). Verder zijn er ook aanvallen van Pakistan tegen TTP doelwitten in de grensregio en confrontaties tussen de taliban en de lokale bevolking in Nangarhar naar aanleiding van het verbod op papaverteelt, gerapporteerd. Ook zijn niet geïdentificeerde gewapende groeperingen actief in Nangarhar. De sterke aanwezigheid van ISKP in Nangarhar, en de aanwezigheid van andere niet-geïdentificeerde gewapende groeperingen kan in casu eveneens als een risico-verhogende factor worden beschouwd voor verzoeker. Gelet op hetgeen hierboven werd vastgesteld met betrekking tot verzoekers profiel en traject in België is de kans reëel dat verzoeker ook door ISKP als onislamitisch zal gezien worden.

De Raad benadrukt dat de taliban goed op de hoogte zijn van wat zich afspeelt op lokaal niveau omdat ze zijn verweven met de lokale bevolking. Lokale talibanleden nemen deel aan de gesprekken in dorpen, steden en in de plaatselijke moskeeën, waardoor zij goed weten wat de mensen in de betrokken lokale gemeenschap doen. De lokale verankering doet zich voornamelijk voor in Pashtou-gebieden. Op dorpsniveau zullen de plaatselijke leiders weten wie is teruggekeerd (voetnoot 514: Denmark, DIS, Afghanistan – taliban’s impact on the population, June 2022, p. 23 en 38 in EUAA, “Afghanistan: targeting of individuals”, augustus 2022, p. 55).

Bij de beoordeling van de vrees van verzoeker moet rekening worden gehouden met de voormelde huidige context van de zeer strenge sociaal-religieuze (en veranderlijke) richtlijnen die door de taliban zijn uitgevaardigd na de machtsovername en die toezien op de regulering van het dagelijkse leven en waarmee verzoeker niet vertrouwd is.

Alles in acht genomen blijkt dat er in hoofde van verzoeker wel degelijk een aantal individuele risicobepalende omstandigheden aanwezig zijn die cumulatief moeten worden bekeken in het licht van de algemene landeninformatie. De Raad is van oordeel dat gelet op het geheel van bovenstaande elementen en factoren eigen aan verzoeker, hij aannemelijk maakt dat hij bij een terugkeer naar zijn regio en dorp van herkomst zal opvallen en in de negatieve aandacht van de lokale gemeenschap en leden en aanhangers van de taliban zal komen te staan en er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat verzoeker daarbij wordt gepercipieerd, onder meer omwille van de duur van zijn verblijf en zijn traject in België als een persoon die verwesterd is of de religieuze, morele of sociale normen heeft overschreden.

Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat in casu nieuwe elementen voorliggen die de kans aanzienlijk groter maken dat verzoeker voor internationale bescherming in aanmerking komt in de zin van de hogervermelde rechtspraak van het Hof van Justitie en dat hij in het kader van een ex nunc onderzoek op basis van de elementen die heden voorliggen een positieve beslissing kan nemen over de vluchtelingenstatus (HvJ, C-216/22, pt. 66).

Het is niet mogelijk om met een redelijke mate van waarschijnlijkheid het concrete lot te voorspellen van een persoon met verzoekers profiel die onder de aandacht van de taliban komt omwille van een toegedichte verwestering of religieuze, morele of sociale normoverschrijding. Echter, de door beide partijen bijgebrachte en besproken objectieve landeninformatie wijst op “wrede, onmenselijke en vernederende behandeling en bestraffing”, waaronder openbare geseling en afranseling van personen die zich niet hielden aan de uitgevaardigde regels en richtlijnen. Uit deze informatie blijkt verder dat personen die als verwesterd beschouwd worden het risico lopen om te worden blootgesteld aan vervolging en dat, zoals reeds aangehaald, de perceptie leeft dat personen die terugkeren waarden en uiterlijkheden hebben aangenomen die worden geassocieerd met Westerse landen.

In acht genomen het geheel van bovenstaande elementen en de persoonlijke omstandigheden eigen aan verzoeker cumulatief beoordeeld in het licht van de beschikbare landeninformatie door beide partijen bijgebracht, is de Raad van oordeel dat voor verzoeker een gegronde vrees voor vervolging kan worden aangenomen op basis van een toegeschreven politieke overtuiging in de zin van artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet en dat er voor hem in zijn land van herkomst geen redelijke bescherming voorhanden is. Een verzoeker wiens politieke overtuiging niet fundamenteel of diepgeworteld is kan immers ook worden vervolgd wegens die politieke overtuiging of wegens “enige overtuiging die hem kan worden toegedicht door potentiële actoren van vervolging in dat land, rekening houdend met de persoonlijke situatie van de verzoeker en de algemene context van dat land” (HvJ, C-151/22, S, A tegen Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, in tegenwoordigheid van Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen” (UNHCR), punt 36).

Na lezing van de beschikbare landeninformatie in het rechtsplegingsdossier wordt de conclusie in de EUAA Country Guidance van mei 2024 (p. 123) bijgetreden, dat de taliban niet kunnen worden beschouwd als een actor van bescherming. Het gebrek aan het recht op een eerlijk proces en de aard van de bestraffingen binnen het justitiemechanisme van de taliban zorgen ervoor dat dit niet kan worden beschouwd als een legitieme vorm van bescherming. Rekening houdend met hun geschiedenis van mensenrechtenschendingen kan er momenteel worden geconcludeerd dat de taliban niet kunnen worden beschouwd als een actor van bescherming die in staat zijn om effectieve, niet-tijdelijke en toegankelijke bescherming te bieden.

Gezien de taliban geen actoren van bescherming zijn, dringt de vraag naar een intern vestigingsalternatief zich niet verder op. De EUAA Country Guidance van mei 2024 concludeert bovendien terecht dat momenteel een intern vestigingsalternatief in geen enkel deel van Afghanistan aan de orde is (p. 126).

Tot slot blijkt uit het rechtsplegingsdossier niet dat op verzoeker een van de uitsluitingsclausules van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is.

Voorgaande vaststellingen volstaan om de overige in het verzoekschrift aangevoerde middelen en grieven, alsook de argumentatie van de commissaris-generaal, die niet verschijnt ter terechtzitting, niet verder te onderzoeken en te bespreken.