Samenvatting
Verweerder is van oordeel dat door enkel een gezinsherenigingsaanvraag in te dienen voor de vier minderjarige kinderen en niet voor hun moeder, betrokkenen hebben gepoogd de bestaansmiddelenvereiste van artikel 40ter, §2, tweede lid, 1° van de Vreemdelingenwet te ‘ontwijken’. Volgens verweerder ‘lijkt het erop’ dat zij de uitzondering op de bestaansmiddelenvereiste misbruiken om een verblijfsrecht te kunnen bekomen. Verweerder komt dan ook tot de vaststelling dat de vier minderjarige kinderen geenszins alleen de Belgische referentiepersoon komen vervoegen, aangezien ook hun moeder in België aanwezig is. Bijgevolg dient te worden aangetoond dat de referentiepersoon aan de voormelde bestaansmiddelenvereiste voldoet teneinde het recht op gezinshereniging te openen.
Verzoekers verzetten zich tegen deze beoordeling. Zij betogen dat verweerder artikel 40ter, §2 van de Vreemdelingenwet foutief heeft toegepast door van hen alsnog te verlangen aan de bestaansmiddelenvereiste te voldoen. Verzoekers stellen dat verblijfsaanvragen van minderjarige kinderen niet kunnen geweigerd worden omwille van het niet voldoen aan de bestaansmiddelenvereiste, zelfs niet wanneer de moeder van de kinderen ook op het Belgische grondgebied aanwezig is. Verzoekers benadrukken dat de moeder geen aanvraag tot gezinshereniging heeft ingediend. Verzoekers concluderen dat de bestaansmiddelenvereiste enkel moet worden voldaan indien de moeder gelijktijdig met de minderjarige kinderen een gezinsherenigingsaanvraag indient, hetgeen te dezen niet het geval is.
De Raad kan enkel vaststellen dat de bestaansmiddelenvereiste “niet van toepassing [is] indien alleen zijn minderjarige familieleden bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 3°, de Belg vergezellen of zich bij hem voegen”. Uit de bestreden beslissing blijkt, en dit wordt niet betwist, dat de moeder van de kinderen geen gezinsherenigingsaanvraag heeft ingediend. Aldus kan niet worden ontkend dat in casu enkel een gezinsherenigingsaanvraag voorligt van vier minderjarige kinderen die hun Belgische vader in België willen vervoegen. Verzoekers moeten dan ook worden gevolgd waar zij benadrukken dat enkel de minderjarige familieleden de Belgische referentiepersoon vergezellen. Verweerder zet niet uiteen waarom de loutere aanwezigheid van de moeder op het Belgische grondgebied betekent dat de wettelijke uitzondering op de bestaansmiddelenvereiste in een dergelijk geval niet van toepassing zou zijn.
Verweerder kan niet worden bijgetreden waar hij in de bestreden beslissing motiveert dat “Door enkel een aanvraag in te dienen voor de 4 minderjarige kinderen en niet voor de moeder, hebben de kinderen en de Belgische vader gepoogd de bestaansmiddelenvoorwaarde te ontwijken. Het lijkt er dus op dat zij de uitzondering op de bestaansmiddelenvoorwaarde gebruiken/misbruiken om verblijfsrecht te kunnen bekomen voor de kinderen”. Immers blijkt uit niets dat verweerder minstens over een begin van bewijs beschikt dat de betrokkenen opzettelijk geen aanvraag tot gezinshereniging hebben ingediend voor de moeder teneinde op die manier wetens en willens de bestaansmiddelenvereiste van artikel 40ter, §2, tweede lid, 1° van de Vreemdelingenwet te ontwijken. Verder ziet de Raad niet in op welke wijze verzoekers de procedure trachten te misbruiken, nu zij enkel gebruik maken van een uitdrukkelijk in de wet voorziene uitzondering.
Volledigheidshalve merkt de Raad nog op dat verweerder slechts in algemene bewoordingen betoogt dat het ‘erop lijkt’ dat verzoekers de procedure hebben willen misbruiken, doch er nergens sprake is van fraude. Het louter algemene betoog in de nota met opmerkingen kan dit evenmin remediëren.
Verzoekers hebben op afdoende wijze aangetoond dat verweerder bij het nemen van de bestreden beslissing een foutieve toepassing heeft gemaakt van artikel 40ter, §2 van de Vreemdelingenwet. Een schending van deze bepaling is dan ook aangetoond.