Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 313.282 - 20-09-2024

Samenvatting

In de bestreden beslissing wordt vastgesteld dat de integratietegemoetkoming niet in overweging kan worden genomen bij de beoordeling van de bestaansmiddelen omdat deze wordt toegekend als compensatie voor de bijkomende kosten die personen met een handicap hebben om deel te kunnen nemen aan het maatschappelijke leven enerzijds, en de inkomensvervangende tegemoetkoming ten bedrage van 1214,52 euro waarvan het bewijs wordt geleverd niet 120 procent bedraagt van het leefloon voor een persoon met gezinslast.

In zoverre verzoekster thans betoogt dat bij de beoordeling van de aanvraag rekening werd gehouden met een inkomen van 1214,52 euro inkomensvervangende tegemoetkoming maar dat als gevolg van haar huwelijk met de referentiepersoon deze recht heeft op een verhoging naar 1674,18 euro per jaar, kan de Raad alleen maar vaststellen dat de stukken die zij bij het verzoekschrift voegt om deze argumentatie hard te maken niet bij de aanvraag werden gevoegd, zodat de verwerende partij er geen rekening mee kon houden en de voorgelegde stukken -waarin melding wordt gemaakt van 1214,52 euro- correct heeft beoordeeld. De Raad zou zijn bevoegdheid overschrijden indien hij rekening zou houden met elementen die niet aan de verwerende partij zouden worden voorgelegd. Voor de beoordeling van de wettigheid van een bestuurshandeling moet hij zich immers plaatsen op het ogenblik van het nemen van die bestuurshandeling, rekening houdend met de op dat moment voorhanden zijnde feitelijke en juridische gegevens (RvS 26 maart 2013, nr. 222.999). Eenzelfde vaststelling dringt zich op voor zover verzoekster thans verwijst naar een document waaruit blijkt dat de referentiepersoon bepaalde bedragen heeft ontvangen in het kader van het Groeipakket, nu dit stuk dateert van na de bestreden beslissing en niet bij de aanvraag werd gevoegd.

Verzoekster betoogt vervolgens dat het maandelijks bedrag van de integratietegemoetkoming ten onrechte buiten beschouwing wordt gelaten en verwijst naar rechtspraak van de Raad van State waaruit blijkt dat tegemoetkomingen voor personen met een handicap -zijnde zowel de inkomensvervangende tegemoetkoming als de integratietegemoetkoming- in aanmerking moeten worden genomen.

De Raad van State heeft inderdaad in verschillende arresten uiteengezet dat het de wil van de wetgever was om, bij de berekening van het totale inkomen in het kader van artikel 40ter van de Vreemdelingenwet, om humanitaire redenen de tegemoetkomingen voor gehandicapten niet uit te sluiten en dat de Belgische Staat voor het Grondwettelijk Hof uitdrukkelijk verklaarde dat “de tegemoetkomingen aan gehandicapten […] in aanmerking [worden] genomen voor de berekening van de inkomsten van de gezinshereniger” (Rvs 18 maart 2019, nrs. 243.962 en 243.963, RvS 1 oktober 2019, nr. 245.601 en RvS 7 november 2019, nr. 246.019). Uit niets blijkt dat daarmee uitsluitend de inkomensvervangende tegemoetkoming zou worden bedoeld, en dat de integratietegemoetkoming zou moeten worden uitgesloten. In tegendeel, er is steeds sprake van “tegemoetkomingen” in het meervoud. Waar de verwerende partij in de bestreden beslissing de integratietegemoetkoming uitsluit, toont zij niet aan dat deze tegemoetkoming moet worden beschouwd als “middelen verkregen uit het leefloon, de financiële maatschappelijke dienstverlening, de kinderbijslagen en toeslagen, de inschakelingsuitkeringen en de overbruggingsuitkering” waarmee krachtens artikel 40ter van de Vreemdelingenwet geen rekening wordt gehouden. Waar zij motiveert dat de integratietegemoetkoming niet in overweging kan worden genomen bij de beoordeling van de bestaansmiddelen omdat deze wordt toegekend als compensatie voor de bijkomende kosten die personen met een handicap hebben om deel te kunnen nemen aan het maatschappelijke leven, overtuigt zij evenmin. Immers, deze tegemoetkoming is vrij te besteden en het is bovendien niet ondenkbaar dat door de aanwezigheid van een partner die de referentiepersoon kan bijstaan op het vlak van zijn zelfredzaamheid een groter deel van het bedrag (dat blijkens de stukken niet is gewijzigd sinds de referentiepersoon niet langer als alleenstaande wordt beschouwd maar als een persoon met gezinslast) als een globaal gezinsbudget kan worden besteed. Daarenboven blijkt uit het vermelde artikel 40ter dat de redenering van de verwerende partij ook zou kunnen opgaan voor wat betreft de kinderbijslagen, die de wetgever uitdrukkelijk wél heeft uitgesloten, in tegenstelling tot wat betreft de tegemoetkomingen voor personen met een handicap.

Door de integratietegemoetkoming niet in aanmerking te nemen, schendt de bestreden beslissing de materiële motiveringsplicht bij de toepassing van artikel 40ter van de Vreemdelingenwet. Deze vaststelling leidt tot de vernietiging van de bestreden beslissing.