Samenvatting
Op 6 oktober 2023 neemt de Staatssecretaris voor Asiel en Migratie een beslissing tot uitsluiting van een Oekraïense onderdaan van het statuut van tijdelijke bescherming. De verzoekster wordt uitgesloten omdat zij in 2021 definitief veroordeeld werd tot een gevangenisstraf omwille van drugssmokkel en bendevorming. De Verblijfswet bepaalt dat iemand kan worden uitgesloten van de tijdelijke bescherming indien diegene een bedreiging vormt voor de openbare orde omdat hij of zij definitief veroordeeld werd voor een bijzonder ernstig misdrijf of een bijzonder ernstige misdaad.
De beslissing tot uitsluiting vermeldt bovendien dat verzoekster hoe dan ook niet onder het toepassingsgebied van de tijdelijke bescherming valt omdat ze Oekraïne lang voor de start van de Russische invasie verliet. Ze komt ook niet in aanmerking voor tijdelijke bescherming als gezinslid van haar Oekraïense echtgenote met tijdelijke bescherming. Uit het feit dat zij sinds 23 maart 2021 in een Belgische gevangenis verblijft, volgt namelijk dat het gezin niet vóór 24 februari 2022 in Oekraïne verbleef.
De Staatssecretaris nam een beslissing tot uitsluiting, waarin ook wordt vastgesteld dat verzoekster hoe dan ook niet onder het toepassingsgebied van de tijdelijke bescherming valt. De RvV bevestigt dat de Staatssecretaris deze beoordeling van insluiting wel mag, maar niet moet maken alvorens over te gaan tot een beslissing tot uitsluiting van de tijdelijke beschermingsstatus. De verzoekster vecht in deze zaak de uitsluiting aan. De RvV stelt dat zij hier geen belang bij heeft. Zelfs als de uitsluiting vernietigd wordt, blijft de motivering bestaan dat verzoekster niet onder het toepassingsgebied valt. Verzoekster weerlegt die motivering niet.
De RvV stelt dat het bestaan van een beschermingswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM niet volstaat om een statuut van tijdelijke bescherming te verkrijgen op grond van het feit dat een gezinslid dit statuut verkreeg. Er moet voldaan zijn aan de voorwaarden uit het Uitvoeringsbesluit. De RvV bevestigt dat het gezin al in Oekraïne moest bestaan én verblijven ten tijde van de Russische militaire invasie om tijdelijke bescherming te krijgen als gezinslid van een tijdelijk beschermde .
In artikel 2, vierde lid van het Uitvoeringsbesluit staat namelijk als voorwaarde: ‘voor zover het gezin vóór 24 februari 2022 reeds in Oekraïne een gezin was en in Oekraïne verbleef’. Verzoekster haalt aan dat ‘in Oekraïne verbleef’ geïnterpreteerd kan worden als ‘op gelijk welk moment vóór 24 februari 2022’. De Raad stelt echter dat aan die voorwaarde al zou zijn voldaan door enkel het zinsdeel ‘voor zover het gezin vóór 24 februari 2022 reeds in Oekraïne een gezin was’ en die interpretatie dus het tweede deel, ‘en in Oekraïne verbleef’, overbodig zou maken. De eerste voorwaarde vereist namelijk al dat dit gezin bestond ‘in Oekraïne’.
Bovendien stelt overweging 11 van het Uitvoeringsbesluit dat tijdelijke bescherming ook moet worden ingevoerd voor de gezinsleden ‘indien het gezin reeds in Oekraïne bestond en er verbleef ten tijde van de omstandigheden rond de massale toestroom van ontheemden’.
Tot slot volgt uit artikel 2, eerste lid van datzelfde besluit dat de gezinsleden zich slechts kunnen beroepen op de tijdelijke bescherming als zij personen zijn ‘die sinds 24 februari 2022 ontheemd zijn geraakt als gevolg van de militaire invasie door de Russische strijdkrachten die op die datum begon’.
In deze zaak werd het gezin al gevormd in Oekraïne; verzoekster trouwde er in 2020. Het gezin verbleef echter niet in Oekraïne op het moment van de invasie. Verzoekster verbleef namelijk al sinds maart 2021 in een Belgische gevangenis. De eenheid van gezin werd al getroffen voor de invasie. Zij komt bijgevolg niet in aanmerking voor het statuut van tijdelijk beschermde als gezinslid van haar tijdelijk beschermde echtgenote.
De bestreden beslissing schendt artikel 8 EVRM niet want ze omvat geen verwijderingsmaatregel. Verzoekster kan alle voor haar openstaande wettelijke verblijfsmogelijkheden benutten, eventueel met buitengewone omstandigheden om een aanvraag vanuit België te kunnen indienen.