Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 313.286 - 20-09-2024

Samenvatting

De verzoekende partij betoogt dat de verwerende partij meent dat zij een gevaar zou zijn voor de openbare orde waarbij wordt verwezen naar feiten van “doodslag, opzettelijke slagen en verwondingen, opzettelijke vernielingen, diefstal, drugs,…”. Zij meent dat het hierbij gaat om zeer verregaande beschuldigingen en tenlasteleggingen waar de verwerende partij geen enkele informatie over geeft, dat, behoudens de verwijzing naar twee oudere veroordelingen, voor het overige niets te vinden is van de verregaande beweringen van de verwerende partij. De verzoekende partij ontkent de beschuldigingen met klem. Zij stelt dat de verwerende partij nalaat om ook maar enig bewijs of documentatie hiervan voor te leggen, zodat zij zich hiertegen ook niet kan verweren, dat een eenvoudige verwijzing naar een raadpleging in de ANG die door géén enkel verder element wordt ondersteund bezwaarlijk aan haar kan tegengeworpen worden.

In de bestreden beslissing verwijst de verwerende partij, om te besluiten dat de verzoekende partij tijdens haar verblijf in België met de nodige regelmaat de openbare orde verstoort, louter naar feiten van “doodslag, opzettelijke slagen en/of verwondingen, opzettelijke vernielingen, gewone diefstal, drugs/bezit” die blijken uit de raadpleging van de ANG. In de bestreden beslissing wordt eveneens gesteld dat de verzoekende partij voor een aantal van “deze” feiten effectief werd veroordeeld, doch dit blijkt geenszins uit het administratief dossier. Uit de raapleging van de ANG, die zich wel in het administratief dossier bevindt, blijkt voorts enkel een nummer en een kwalificatie, zonder dat echter blijkt wat de precieze aard van de feiten is, zonder de concrete handelingen en de context te specifiëren en zonder dat wordt verduidelijkt wat het aandeel van de verzoekende partij is. Voorts bevat het administratief dossier – behoudens één document van 11 mei 2023 waaruit blijkt dat de verzoekende partij vanaf 10 mei 2023 in voorhechtenis in de gevangenis verbleef op grond van “poging tot wanbedrijf” en “doodslag” – geen andere documentatie of informatie omtrent de feiten waaraan de verzoekende partij zich schuldig zou hebben gemaakt en waaruit de verwerende partij afleidt dat zij met de nodige regelmaat de openbare orde verstoort. De verzoekende partij ontkent de beschuldigingen met klem.

Betreffende het document waaruit blijkt dat de verzoekende partij vanaf 10 mei 2023 in voorhechtenis in de gevangenis verbleef op grond van “poging tot wanbedrijf” en “doodslag”, stelt de Raad vast dat hieruit enkel blijkt, gelet op het feit dat het document dateert van 11 mei 2023, dat de verzoekende partij minstens 1 dag in voorlopige hechtenis werd gehouden in het kader van een onderzoek waarbij de tenlastelegging “poging tot wanbedrijf” en “doodslag” betrof. Echter blijkt nergens uit het administratief dossier hoelang de verzoekende partij in voorlopige hechtenis verbleef, noch bevat het administratief dossier enige andere documentatie omtrent de feiten en de rol van de verzoekende partij bij de ten laste gelegde feiten.

Er blijkt noch uit de motieven van de bestreden beslissing, noch uit het administratief dossier wat de ernst van de feiten precies is en welk mogelijk aandeel de verzoekende partij daarin gespeeld heeft om te kunnen vaststellen dat de verzoekende partij kan geacht worden de openbare rust/openbare orde te kunnen schaden, gelet op het feit dat zij tijdens haar verblijf in België met de nodige regelmaat de openbare orde verstoort.

Uit de motieven van de bestreden beslissing blijkt geenszins dat de verwerende partij dienaangaande een onderzoek heeft gevoerd doch slechts dat zij gemeend heeft dat uit het loutere feit dat uit de raadpleging van de ANG blijkt dat – op naam van de verzoekende partij – melding wordt gemaakt van “doodslag, opzettelijke slagen en/of verwondingen, opzettelijke vernielingen, gewone diefstal, drugs/bezit” blijkt dat de verzoekende partij met de nodige regelmaat de openbare orde verstoort. De verwerende partij meent het met de nodige regelmaat verstoren van de openbare orde door de verzoekende partij aldus te kunnen afleiden uit de vermelding van deze kwalificaties van feiten, die vermeld worden bij de raapleging op naam van de verzoekende partij van de ANG, zonder te verduidelijken dat er aan deze vermelde feiten omstandigheden ten grondslag liggen die erop wijzen dat de verzoekende partij met de nodige regelmaat de openbare orde verstoort.

Uit het louter verwijzen naar bepaalde abstract geformuleerde feiten/kwalificaties die blijken uit de raadpleging van de ANG, zonder dat uit de bestreden beslissing of het administratief dossier blijkt dat wat de ernst van de feiten precies zijn en welk mogelijk aandeel de verzoekende partij daarin gespeeld heeft, en waarvan niet blijkt, hoewel dit geponeerd wordt in de bestreden beslissing, dat de verzoekende partij hiervoor reeds veroordeeld werd, blijkt geen zorgvuldig onderzoek en kan niet blijken of de verwerende partij correct en niet op kennelijk onredelijke wijze heeft vastgesteld dat de verzoekende partij kan geacht worden de openbare rust/openbare orde te kunnen schaden, gelet op het feit dat zij tijdens haar verblijf in België met de nodige regelmaat de openbare orde verstoort.

Door in de nota met opmerkingen louter te stellen dat uit de motieven van de bestreden beslissing duidelijk blijkt dat de gemachtigde de aanvraag van de verzoekende partij heeft verworpen op grond van artikel 15 van de Vreemdelingenwet omdat de verzoekende partij geacht wordt de openbare orde te kunnen schaden, dat de gemachtigde hierbij terecht gewezen heeft op het feit dat de verzoekende partij zich herhaaldelijk schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten en zij hierdoor aantoont dat zij niet bereid is zich aan te passen aan de normen en waarden van de Belgische samenleving, en aldus in wezen enkel de motieven van de bestreden beslissing te herhalen en te bevestigen, werpt zij geen ander licht op voormelde vaststellingen.

Ook het betoog van de verwerende partij in de verweernota omtrent de actualiteit van het gevaar voor de openbare orde, doet aan voormelde vaststellingen geen afbreuk.

Gelet op het feit dat de verwerende partij meent dat de aanvraag verworpen wordt om redenen van openbare orde/nationale veiligheid omdat de verzoekende partij tijdens haar verblijf in België met de nodige regelmaat de orde verstoort en hiervoor verwijst naar de vermeldingen van feiten in de ANG en meent dat deze gedragingen aantonen dat de verzoekende partij zich niet kan aanpassen aan de normen en waarden in België, kan niet zonder meer blijken dat de verwerende partij, zonder verwijzing naar kwalificaties opgesomd in de ANG van de verzoekende partij, enkel op grond van de feiten die geleid hebben tot veroordelingen eveneens zou geoordeeld hebben dat de aanvraag dient verworpen te worden om redenen van openbare orde/veiligheid van het land.

De Raad bezit niet de bevoegdheid om zijn eigen beoordeling in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid.

Er kan niet blijkt dat de feitelijke aspecten van het dossier deugdelijk onderzocht werden.

Een schending van de zorgvuldigheidsplicht wordt aannemelijk gemaakt.

Het enig middel is in de aangegeven mate gegrond. Deze vaststelling leidt tot de vernietiging van de bestreden beslissing.