Samenvatting
De Raad wijst er in de eerste plaats op dat niet wordt betwist dat verzoekende partijen een internationale beschermingsstatus genieten in Griekenland alwaar zij blijkens de gegevens van hun dossiers werden erkend als vluchteling, zoals ook wordt vermeld in het feitenrelaas van de bestreden beslissingen.
Er liggen geen concrete gegevens of verifieerbare elementen voor die aantonen dat er sprake zou zijn van een intrekking of opheffing van de hen verleende status, noch bevat het administratief dossier enige concrete aanwijzing in die zin.
In casu blijkt dat de commissaris-generaal ervoor heeft geopteerd om geen gebruik te maken van de mogelijkheid om de beschermingsverzoeken van verzoekende partijen niet-ontvankelijk te verklaren vanwege de hen verleende beschermingsstatus in Griekenland.
De Raad stelt verder vast dat uit de motieven van de bestreden beslissingen evenwel niet kan blijken dat (afdoende) rekening werd gehouden met het gegeven dat verzoekende partijen reeds werden erkend als vluchteling in een andere EU-lidstaat.
Bij gebrek aan de Griekse asieldossiers kan niet worden nagegaan op basis van welke elementen de Griekse autoriteiten verzoekende partijen als vluchteling hebben erkend en welke weerslag deze elementen kunnen hebben op de beoordeling van de commissaris-generaal en diens weigeringsmotieven.
In dit verband moet erop gewezen worden dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat een bevoegde autoriteit van een lidstaat, wanneer zij geen gebruik kan maken van de geboden mogelijkheid om een verzoek om internationale bescherming van een verzoeker aan wie een andere lidstaat reeds een dergelijke bescherming heeft verleend, niet-ontvankelijk te verklaren omdat die verzoeker in die andere lidstaat een ernstig risico loopt dat hij wordt onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling, dat verzoek in het kader van een nieuwe procedure voor internationale bescherming overeenkomstig de richtlijnen 2011/95 en 2013/32 opnieuw individueel, volledig en naar de actuele stand van zaken moet onderzocht worden. In het kader van dat onderzoek moet deze autoriteit volgens het Hof echter ten volle rekening houden met de beslissing van de andere lidstaat om de aanvrager internationale bescherming te verlenen en met de elementen die deze beslissing ondersteunen (HvJ 18 juni 2024, C-753/22, QY tegen Bundesrepublik Deutschland (GK)).
Daarbij overwoog het Hof ten eerste dat de Uniewetgever bij de huidige stand van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel de doelstelling van artikel 78, lid 2, onder a) van het VWEU, te weten een uniforme asielstatus voor onderdanen van derde landen die in de gehele Unie geldig is, nog niet volledig heeft geconcretiseerd en meer bepaald vooralsnog geen beginsel heeft geformuleerd op grond waarvan de lidstaten verplicht zijn om door een andere lidstaat genomen beslissingen tot toekenning van de vluchtelingenstatus automatisch te erkennen, noch de wijze van toepassing van een dergelijk beginsel gepreciseerd. Evenwel wijst het Hof erop dat de lidstaten overeenkomstig artikel 13 van de Kwalificatierichtlijn de vluchtelingenstatus verlenen aan iedere derdelander of staatloze die voldoet aan de materiële voorwaarden om overeenkomstig de hoofdstukken II en III van die richtlijn als vluchteling te worden erkend, zonder dat zij daarbij over discretionaire bevoegdheid beschikken.
Om te bepalen of aan deze voorwaarden is voldaan, moeten de lidstaten overeenkomstig artikel 4, lid 3 van de Kwalificatierichtlijn, “ieder verzoek om internationale bescherming op individuele basis beoordelen en met name rekening houden met alle relevante feiten in verband met het land van herkomst op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen, de door de verzoeker afgelegde verklaring en overgelegde documenten alsmede de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van deze verzoeker” (HvJ, C-753/22, pt. 72).
Indien het voor een lidstaat niet mogelijk is om een bij haar ingediend verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 33, lid 2, onder a) van de Asielprocedurerichtlijn, moet deze autoriteit de voorwaarden voor toekenning van de vluchtelingenstatus dus individueel, volledig en actueel onderzoeken en moet de vluchtelingenstatus aan de verzoeker worden toegekend indien deze voldoet aan de voorwaarden van de hoofdstukken II en III van de Kwalificatierichtlijn, zonder dat deze autoriteit over een discretionaire bevoegdheid beschikt.
Verwijzend naar het beginsel van wederzijds vertrouwen waarop het GEAS is gebouwd stelt het Hof vervolgens dat “deze autoriteit weliswaar niet verplicht [is] om de vluchtelingenstatus van deze verzoeker te erkennen op de enkele grond dat die status hem eerder bij beslissing van een andere lidstaat is verleend, maar moet zij niettemin ten volle rekening houden met die beslissing en met de elementen die deze beslissing ondersteunen” (HvJ, C-753/22, pt. 76).
Het Hof geeft daarbij tenslotte volgende duiding bij de verplichting van de autoriteit van de lidstaat die over het nieuwe verzoek moet beslissen om rekening te houden met de beslissing van een andere lidstaat om de verzoeker als vluchteling te erkennen: “Gelet op het beginsel van loyale samenwerking neergelegd in artikel 4, lid 3, eerste alinea, VEU, volgens hetwelk de lidstaten elkaar respecteren en elkaar steunen bij de vervulling van de taken die uit de Verdragen voortvloeien (arrest van 6 september 2016, Petruhhin, C-182/15, EU:C:2016:630, punt 42), en dat concreet is uitgewerkt in artikel 36 van richtlijn 2011/95 en artikel 49 van richtlijn 2013/32, en om zoveel mogelijk de samenhang te waarborgen tussen beslissingen die door de bevoegde autoriteiten van twee lidstaten worden genomen over de behoefte aan internationale bescherming van dezelfde onderdaan van een derde land of staatloze, moet bovendien worden overwogen dat de bevoegde autoriteit van de lidstaat die over het nieuwe verzoek moet beslissen, zo spoedig mogelijk begint met het uitwisselen van informatie met de bevoegde autoriteit van de lidstaat die eerder aan dezelfde verzoeker de vluchtelingenstatus heeft toegekend. Het staat dus aan de eerste van deze autoriteiten om de tweede in kennis te stellen van het nieuwe verzoek, om zijn standpunt over het nieuwe verzoek mee te delen en om de tweede te verzoeken om binnen een redelijke termijn de informatie mee te delen waarover zij beschikt en die tot de toekenning van deze status heeft geleid (HvJ, C-753/22, pt. 78).”
Hieruit volgt dat wanneer een verzoekende partij om internationale bescherming reeds internationale bescherming heeft verkregen in een andere EU-lidstaat, in casu Griekenland en de commissaris-generaal heeft geoordeeld dat het verzoek niet niet-ontvankelijk kan verklaard worden en zij het verzoek ten gronde onderzoekt in het licht van de artikelen 48/3 en 48/4 van de Vreemdelingenwet, de commissaris-generaal, om te kunnen voldoen aan haar verplichtingen op grond van de artikelen 4, lid 3 en 13 van de Kwalificatierichtlijn en artikel 10, leden 2 en 3 van de Asielprocedurerichtlijn, ertoe gehouden is zo spoedig mogelijk informatie te beginnen uitwisselen met de Griekse autoriteit die eerder verzoekende partijen als vluchteling heeft erkend, deze laatste in kennis moet stellen van de nieuwe in België ingediende verzoeken, aan deze Griekse autoriteit, haar standpunt over de nieuwe verzoeken mee te delen en om de Griekse autoriteit te verzoeken binnen een redelijke termijn de informatie mee te delen waarover deze laatste beschikt en die tot de toekenning van deze status heeft geleid.
Gelet op voorgaande overwegingen kan niet blijken dat door de commissaris-generaal is voldaan aan de verplichting om ten volle rekening te houden met de erkenningsbeslissingen van de andere EU-lidstaat, zijnde Griekenland hetgeen voortvloeit uit de verplichting voor de asielautoriteiten om overeenkomstig artikel 4, lid 3 van de Kwalificatierichtlijn elk verzoek op individuele basis te beoordelen en met name rekening te met alle relevante feiten in verband met het land van herkomst op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen, de door een verzoeker afgelegde verklaring en overgelegde documenten en de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van een verzoeker en om elk verzoek te onderzoeken aan de hand van nauwkeurige en actuele informatie overeenkomstig artikel 10, lid 3 van de Asielprocedurerichtlijn.
Deze verplichting voor de bevoegde autoriteit van een lidstaat die moet oordelen over een verzoek om internationale bescherming ingediend door een verzoeker die reeds als vluchteling is erkend door de autoriteiten van een andere EU-lidstaat, om ten volle rekening te houden met deze beslissing is overigens niet alleen een uitdrukking van het wederzijds vertrouwensbeginsel waarop het Gemeenschappelijk Asielstelsel zelf is gebaseerd, maar vormt ook een integraal onderdeel van de samenwerkings- en onderzoeksplicht die op deze asielautoriteit rust, wanneer deze beslist het beschermingsverzoek niet niet-ontvankelijk te verklaren en het verzoek ten gronde te behandelen. De informatie-uitwisseling met de autoriteit van de lidstaat die reeds de vluchtelingenstatus toekende, die deel van uitmaakt van deze verplichting, strekt ertoe de autoriteit van de lidstaat waar het nieuwe verzoek werd ingediend in staat te stellen haar onderzoek van het beschermingsverzoek met volledige kennis van zaken te kunnen voeren. De elementen die aan de grondslag lagen van de beslissing van de autoriteit van de eerste lidstaat die eerder dezelfde verzoeker om internationale bescherming als vluchteling erkende, zijn bijgevolg onderdeel van het geheel van elementen waarop het nieuwe beschermingsverzoek is gebaseerd en die door de commissaris-generaal op individuele, objectieve en onpartijdige wijze moeten worden onderzocht.
In casu worden geen elementen aangebracht door verweerder - die overigens ter terechtzitting afwezig was - waaruit kan afgeleid worden dat het niet mogelijk was om de Griekse asieldossiers op te vragen en de Griekse autoriteiten niet bereid zouden zijn geweest om de elementen op basis waarvan aan verzoekende partijen de vluchtelingenstatus werd toegekend mee te delen of dat zij hiertoe niet langer in staat zouden zijn.
Bijgevolg werden de bestreden beslissingen genomen zonder ten volle rekening te rekening te houden met de eerdere erkenningsbeslissingen van de Griekse autoriteiten en met de elementen die deze beslissingen ondersteunen.
Naast het gegeven dat het de Raad ontbreekt aan kennis over de grondslag van de Griekse erkenningsbeslissingen in hoofde van verzoekende partijen, dient tevens aangestipt te worden dat verwerende partij ertoe is gehouden om een globale beoordeling te maken van de nood aan internationale bescherming op basis van het geheel van de individuele omstandigheden in het licht van actuele objectieve landeninformatie. De Raad herinnert eraan dat deze beoordeling zich niet kan beperken tot een loutere evaluatie van elementen en feiten uit het verleden, maar tevens een toekomstgerichte beoordeling van het risico op vervolging of ernstige schade vereist.
In casu kan niet vastgesteld worden dat de commissaris-generaal is overgegaan tot een globale en zorgvuldige beoordeling van de individuele omstandigheden van verzoekende partijen in het licht van afdoende en actuele landeninformatie.