Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 315.331 - 23-10-2024

Samenvatting

De verzoekers hebben bij hun aanvragen de volgende stukken bijgebracht inzake de bestaansmiddelen waarover de referentiepersoon beschikt:

“Ter staving van de bestaansmiddelen van de referentiepersoon werd het bewijs overgemaakt dat mijnheer werkloosheidsuitkering genoot, overgemaakt door het ABVV van mei 2022 tot maart 2023. Verder ligt er nog een attest voor van de Christelijke Mutualiteit dd. 17.07.2023 waaruit blijkt dat de referentiepersoon van 23.03.2023 t.e.m- 31.08.2023 en voorafgaandelijk van 10.11.2021 tot 17.04.2022 arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft ontvangen. Specifiek bevat het attest bedragen die zijn ontvangen van 23.03.2023 t.e.m. 30.06.2023.”

Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat in het voormelde attest van de Christelijke Mutualiteit van 17 juli 2023 uitdrukkelijk wordt vermeld dat op naam van de referentiepersoon een arbeidsongeschiktheid van meer dan 66% werd geregistreerd en dat hij voor de onderzochte periode (januari 2022 tot en met 17 juli 2023) tweemaandelijks uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid heeft ontvangen.

Uit de stukken van het administratief dossier blijkt tevens dat de verzoekers met een e-mailbericht van 28 december 2023 aan de diensten van de verweerder een actualisatie hebben overgemaakt waarbij onder meer een nieuw attest van de Christelijke Mutualiteit van 6 december 2023 werd gevoegd. In dit laatste attest wordt opnieuw bevestigd dat op naam van de referentiepersoon een arbeidsongeschiktheid van meer dan 66% werd geregistreerd en hierbij wordt uiteengezet dat hij van 23 maart 2023 tot en met 30 november 2023, voor in totaal 217 werkdagen, uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid heeft ontvangen voor een totaal netto bedrag van 12.854,33 euro.

De verzoekers stellen dat het gaat om ‘in aanmerking te nemen bestaansmiddelen’. Zij erkennen dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering een inkomen vertegenwoordigt dat lager ligt dan 120% van het leefloonbedrag, doch zij betogen dat de verweerder in dat geval dient over te gaan tot het maken van een behoefteanalyse overeenkomstig artikel 42, § 1, tweede lid, van de Vreemdelingenwet. De verzoekers hekelen dat de verweerder zich in allerhande bochten wringt om deze behoefteanalyse niet te moeten maken, door thans tegen te werpen dat de referentiepersoon in de toekomst kan genezen, waarna hij terug werkloos zal zijn. De verzoekers merken op dat de verweerder dan wel helderziend moet zijn: men weet blijkbaar dat de referentiepersoon zal genezen en niet bijvoorbeeld arbeidsongeschikt zal blijven zodat hij mogelijks op een handicapuitkering zal terechtkomen, dan wel dat de referentiepersoon zal genezen en na zijn genezing toch werkloos zal blijven.

De verzoekers betogen dat de Dienst Vreemdelingenzaken zich aan de voorliggende feiten dient te houden en dat deze feiten beoordeeld moeten worden conform de geldende en bindende regels. Zij benadrukken dat de verweerder zich dient te onthouden van prognoses en voorspellingen.

De verzoekers viseren met hun betoog de volgende motieven uit de bestreden beslissing:

“Uit de samenlezing van alle documenten blijkt dus dat de referentiepersoon op het moment van de aanvraag ofwel ziekteuitkering had ofwel arbeidsongeschiktheid. Echter, een uitkering wegens ziekte daarvan kan de stabiliteit niet worden vastgesteld, wanneer men genezen is, stopt een dergelijke uitkering natuurlijk. Gezien de referentiepersoon niet tewerkgesteld is, kan hij na genezen te zijn, uiteraard het werk niet hervatten. Dan valt hij terug op de werkloosheidsuitkering. De werkloosheidsuitkering, indien men zo lang werkloos is, is degressief. Het wordt stelselmatig verminderd. Het gaat dus wel over regelmatige bestaansmiddelen, echter niet over stabiele. Naarmate de tijd vordert, vermindert het sneller. De referent blijkt al heel lang werkloos. Op basis van bestaansmiddelen die niet stabiel zijn, kan het verblijfsrecht overeenkomstig art. 40bis §4 niet verstrekt worden.

De behoefteanalyse overeenkomstig art. 42: §1, tweede lid van de wet van 15.12.1980 is in dit geval overbodig. Er werd immers niet vastgesteld dat de bestaansmiddelen ontoereikend zijn, wel dat ze degressief zijn en aldus niet stabiel.”

De verzoekers kunnen in casu worden bijgetreden in hun kritiek dat deze beoordeling al te speculatief en hypothetisch is.

Zo stelt de gemachtigde in de bestreden beslissingen vast dat de referentiepersoon op het ogenblik van de aanvraag een ziekte-uitkering had, dan wel arbeidsongeschiktheid had. De gemachtigde neemt de voorgelegde inkomsten niet in aanmerking omdat de stabiliteit ervan niet kan worden vastgesteld nu een dergelijke uitkering stopt wanneer “men” genezen is, en de verzoeker, die al lange tijd niet tewerkgesteld was, na genezen te zijn, het werk niet kan hervatten en alsdan zal terugvallen op de werkloosheidsuitkering die degressief is en die, naarmate de tijd vordert, sneller vermindert.

De gemachtigde lijkt dan ook, zonder daartoe te verwijzen naar enige feitelijke grondslag, te voorspellen dat de verzoeker in de (nabije of verre?) toekomst zal genezen én dat hij dan zal terugvallen op een werkloosheidsuitkering, die degressief is. De verweerder houdt er hierbij geen rekening mee dat het eveneens mogelijk is dat de referentiepersoon 66% arbeidsongeschikt blijft en na verloop van tijd een invaliditeitsuitkering kan krijgen. Het betreft dan ook een louter speculatieve en eenzijdig hypothetische beoordeling, die niet volstaat om de verblijfsrechtelijke aanspraken van de verzoekers af te wijzen. Een beslissing tot weigering van het verblijfsrecht dient immers te steunen op deugdelijke motieven, dit zijn motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren bewezen is en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking genomen kunnen worden (RvS 14 juli 2008, nr. 185.388; RvS 20 september 2011, nr. 215.206; RvS 5 december 2011, nr. 216.669).

Gelet op wat hierboven werd uiteengezet, heeft de verweerder op ondeugdelijke wijze gemotiveerd dat een behoefteanalyse in de zin van artikel 42, § 1, tweede lid, van de Vreemdelingenwet overbodig is omdat de voorgelegde bestaansmiddelen niet stabiel zijn.

Een schending van de materiële motiveringsplicht in het licht van de artikelen 40ter en 42 van de Vreemdelingenwet is dan ook aangetoond.