Samenvatting
Artikel 40bis, §2 en 4 VW, samen met artikel 40ter VW, voorziet in een verblijfsrecht van meer dan drie maanden voor de bloedverwanten in de opgaande lijn van een Belgische onderdaan, op voorwaarde dat deze bloedverwanten ten laste zijn van deze onderdaan en zich bij hem voegen of hem begeleiden. Het komt aan het bestuur toe deze feitelijke situatie van het ten laste zijn, te beoordelen.In artikel 2 van de richtlijn 2008/38/EG wordt duidelijk vermeld dat de ascendent van een burger van de Unie ten laste dient te zijn en niet dient te worden, waaruit volgt dat het niet volstaat dat de ascendent in het gastland ten laste zal worden genomen. Conform de rechtspraak van het Hof van Justitie (HvJ 9 januari 2007, C-1/05), dient de vreemdeling die een familielid binnen de Europese Unie wenst te vervoegen, reeds de bijstand van dit familielid nodig te hebben op het ogenblik dat hij zich nog in zijn land van herkomst bevindt.Anderzijds is het wel toegelaten bijkomende stukken over te maken die dateren van na de visumaanvraag teneinde het structurele karakter van de steunverlening aan te tonen.Het loutere feit van het ontvangen van geldsommen is niet voldoende om aan te tonen dat de vreemdeling deze ondersteuning nodig heeft om te voorzien in zijn basisbehoeften in het land van herkomst en dus moet ook aangetoond worden dat hij zelf niet over voldoende inkomsten beschikt. Het eisen van aanvullende bewijsstukken door het bestuur om na te gaan of verzoekers effectief ten laste zijn van de Belgische dochter, legt geen bijkomende voorwaarde op, doch is een redelijke invulling van de voorwaarde zoals voorzien in de wet