Samenvatting
Uit de motieven van de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij beslist tot afgifte van een bevel tot terugbrenging aan verzoekers voogd omdat zij van oordeel is dat voldoende elementen voorhanden zijn die toelaten te stellen dat de duurzame oplossing voor verzoeker bestaat in een terugkeer naar het land van herkomst alwaar hij kan worden herenigd met zijn wettelijke voogden, met name zijn grootouders, en dat er bij terugkeer adequate opvang en verzorging aanwezig zijn.
Verzoeker betwist dat de duurzame oplossing ligt in een terugkeer naar zijn grootouders. Hij wijst erop dat uit het dossier duidelijk blijkt dat de grootouders omwille van ziekte en hoge leeftijd hem niet de dagdagelijkse nodige zorgen en pedagogische ondersteuning kunnen bieden. Hij verwijt de verwerende partij ondanks het heldere dossier de ernst van de situatie te minimaliseren, geen rekening te houden met alle elementen van het dossier, waaronder het duidelijke family assessment en de consistente verklaringen van alle betrokkenen, en verschillende kennelijk onredelijke gevolgtrekkingen te maken.
De Raad stelt vast dat de verwerende partij rekening heeft gehouden met de financiële toestand van de grootouders en met het feit dat zij tot nog toe op liefdevolle wijze voor hem hebben gezorgd, en van oordeel is dat hun leeftijd en gezondheidsproblemen onvoldoende zijn om te stellen dat de duurzame oplossing noodzakelijk in België ligt. Zij stelt dat de mening van de evaluator van The State Agency for the Rights and Protection of the Child in het family assesment (hierna: het FA) niet in twijfel wordt getrokken, maar betoogt dat er toch geen concrete aanwijzingen zijn dat de leeftijd en de medische situatie van de grootouders van dien aard zijn dat het een disproportioneel negatieve impact zou hebben op het welzijn van hun kleinzoon. Zij stelt daarbij vast dat er geen enkel medisch document aanwezig is in het dossier dat de medische toestand van de grootouders bevestigt of zegt dat de grootouders in de onmogelijkheid zijn om voor hun kleinzoon te zorgen en wijst erop dat de beide grootouders naar België zijn gereisd om hun kleinzoon te komen bezoeken hetgeen aantoont dat hun inspanningscapaciteit niet van dien aard is dat ze niet meer in staat zijn om voor hun kleinzoon te zorgen. Verder stelt zij dat verzoeker ook over enige maturiteit en de nodige zelfstandigheid beschikt. Volgens de verwerende partij kan, overeenkomstig artikel 74/16 van de Vreemdelingenwet, gesteld worden dat er geen enkel element aanwezig is dat zegt dat de grootouders niet in staat zijn om hun kleinzoon terug op te vangen en hem te voorzien van adequate opvang en verzorging, dat de gezinssituatie van dien aard is dat betrokkene er opnieuw in kan worden opgenomen, en dat een terugkeer naar zijn grootouders zelfs wenselijk en opportuun is in het licht van de capaciteit van het gezin om betrokkene te ondersteunen, op te voeden en te beschermen.
Met betrekking tot de medische toestand en de opvoedkundige capaciteiten van de grootouders, betoogt verzoeker vooreerst dat het tegenstrijdig is om te stellen dat de mening van de evaluator van het FA niet in twijfel wordt getrokken maar dat er toch geen concrete aanwijzingen zouden zijn dat de leeftijd en de medische toestand van de grootouders geen disproportioneel negatieve impact zouden hebben op het welzijn van hun kleinzoon. Hij meent dat het kennelijk onredelijk is om te stellen dat er geen concrete elementen voor handen zouden zijn. Hij verwijst in dat verband naar en citeert uit zijn initiële aanvraag, zijn eigen verklaringen en die van zijn voogd tijdens het gehoor en betoogt dat, omdat er sprake was van ernstige bezorgdheden door de verwerende partij werd beslist om een onderzoek ter plaatse te laten doen en de vaststellingen en conclusie in het FA. Hij stelt dat in het FA meermaals gesteld wordt dat de grootouders omwille van leeftijd en gezondheidstoestand niet de nodige zorgen kunnen bieden voor verzoeker, dat tevens gesteld wordt dat verzoeker indien hij bij zijn grootouders zou blijven wonen onvoldoende mogelijkheden heeft om zich in de samenleving te integreren en dat het besluit van de deskundige in het FA is dat het niet in het belang van het kind is om terug te keren naar de grootouders. Vervolgens hekelt verzoeker dat niet wordt gemotiveerd waarom de deskundige mening van de evaluator van het FA niet gevolgd zou kunnen worden, terwijl the State Agency for the Rights and Protection of the Child een Albanese instelling is die is opgericht in het kader van de jeugdzorg en een specifieke deskundigheid en kennis hebben van de jeugdhulp en de lokale context in Albanië. De verwerende partij kan dit deskundigenverslag niet afdoen als een loutere mening, aldus verzoeker. Daarnaast betoogt verzoeker dat de verwerende partij niet motiveert waarom er sprake zou moeten zijn van een disproportioneel negatieve impact op verzoekers welzijn.
Tegen het motief “Bovendien zijn beide grootouders naar België gereisd om hun kleinzoon te komen bezoeken hetgeen aantoont dat hun inspanningscapaciteit niet van dien aard is dat ze niet meer in staat zijn om voor hun kleinzoon te zorgen.” brengt verzoeker in dat het niet is omdat de grootouders naar België op bezoek kunnen komen dat zij op een duurzame wijze de dagdagelijkse nodige zorgen en pedagogische ondersteuning aan de minderjarige verzoeker kunnen bieden. Wanneer de grootouders naar België komen verblijven ze in het gezin van de tante van de minderjarige verzoeker en haar man en worden zij volledig ondersteund door hen, aldus verzoeker. Hij wijst er voorts op dat de affectieve band tussen hem en zijn grootouders niet garant staat voor een duurzame oplossing in geval van terugkeer.
Verder betoogt verzoeker dat het motief dat “gezien de leeftijd van hun kleinzoon, hij ook over enige maturiteit en de nodige zelfstandigheid beschikt.” erop neerkomt dat het gebrek aan zorg en opvoeding door de grootouders opgevangen dient te worden door verzoekers maturiteit en zelfstandigheid, hetgeen kennelijk onredelijk is. Uit het feit dat verzoeker op heden 16 jaar oud is, kan niet automatisch worden afgeleid dat hij matuur en zelfstandig zou zijn, zo stelt hij. Hij meent dat het juist is door het gebrek aan adequate omkadering dat verzoeker in geval van terugkeer aan zijn lot zal worden overgelaten. Hij wijst andermaal op het FA waaruit duidelijk blijkt dat het voor de minderjarige verzoeker een uitdaging is om zich in de huidige situatie bij de grootouders te ontwikkelen en in de maatschappij te integreren.
De Raad stelt vast dat in de FA, waartoe de verwerende partij zelf de opdracht had gegeven en dat werd opgemaakt na contact met verzoekers grootouders in Albanië, onder meer het volgende wordt gesteld:
“De belangrijkste reden waarom het kind is vertrokken was het pesten door leeftijdsgenoten omdat hij opgegroeid is zonder zijn biologische ouders en ook de leeftijd van de wettelijke voogden omdat ze op leeftijd zijn en gezondheidsproblemen hebben.
[…]
Uit de gesprekken blijkt dat de voogden hun kleinzoon willen houden, maar dat ze daar niet de mogelijkheid voor hebben.
[…]
De belangrijkste reden dat de voogden niet willen dat het kind niet terugkeert, is het pesten door
leeftijdsgenoten, omdat hij opgegroeid is zonder zijn biologische ouders en ook hun hoge leeftijd, omdat ze oud zijn en gezondheidsproblemen hebben.
[…]”
Onder het kopje “Conclusies van evaluatie over de veiligheid en ondersteuning als het kind terugkeert (Dit onderdeel dient voor de professionele evaluatie van de kinderbeschermingsmedewerker en de sociale administrator over de geschiktheid van het gezin of de gemeenschap om de terugkeer van het kind te ondersteunen)” beoordeelt de evaluator de omgeving als onveilig of ongeschikt voor een kind. Het antwoord wordt als volgt toegelicht:
“De omgeving is veilig maar het kind krijgt niet de nodige zorgen omdat de voogden gezondheidsproblemen hebben en op hoge leeftijd zijn.”
Op de vraag: “Gebaseerd op de mening van de evaluator, kan het gezin de nodige zorgen geven als het kind terugkeert (identificeer de sterke punten van de familie)?” wordt als volgt geantwoord:
“Het gezin kan er niet voor zorgen omdat ze gezondheidsproblemen hebben”
Op de vraag: “ Gebaseerd op de mening van de evaluator welke zijn de uitdagingen en zwaktes van het gezin en de gemeenschap om de terugkeer van het kind te ondersteunen?” wordt het volgende geantwoord:
“De uitdaging van het gezin van de minderjarige A.T is dat er geen mogelijkheid is om voor hem te zorgen en hem te helpen.”
Tot slot wordt op de vraag: “Gebaseerd op de mening van de evaluator, is het in het beste belang van het kind om terug te keren naar het gezin?” geantwoord:
“Ik denk dat het in het beste belang van het kind is om niet terug te keren, aangezien de wettelijke voogden van de minderjarige niet voor A.T kunnen zorgen omdat ze ziek en op leeftijd zijn.”
Hieruit blijkt duidelijk dat wordt vastgesteld dat de grootouders de zorg voor verzoeker niet meer kunnen opnemen door hun hoge leeftijd en medische toestand en dat de evaluator daaruit afleidt dat het niet in het belang van het kind is om terug te keren naar de grootouders.
De Raad erkent dat het de verwerende partij weliswaar is toegestaan om af te wijken van het advies dat zij zelf heeft gevraagd onder de vorm van een FA, maar dat zij dat dan op zorgvuldige wijze moet doen, rekening houdend met alle elementen.
Hoewel de verwerende partij uitdrukkelijk stelt dat de mening van de evaluator niet in twijfel wordt getrokken doet zij dat vervolgens alsnog, door te stellen dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat de leeftijd en medische situatie van de grootouders van die aard zijn dat ze een disproportioneel negatieve impact zouden hebben op het welzijn van hun kleinzoon. Nog daargelaten de vraag of er geen sprake is van een tegenstrijdige motivering die de bestreden beslissing om die reden niet kan dragen, stelt de Raad vast dat de verwerende partij volledig voorbijgaat aan de deskundige vaststellingen in het FA waaruit onmiskenbaar blijkt dat het niet in het belang van verzoeker is om terug te keren naar zijn grootouders, omwille van hun leeftijd en medische situatie. De verwerende partij stelt dan wel dat er geen medische stukken voorliggen, maar dit valt niet te rijmen met haar eerdere standpunt dat de mening van de evaluator -die duidelijk heeft aangegeven dat er medische problemen zijn- niet in twijfel wordt getrokken. De bevindingen van de evaluator zijn consistent met de verklaringen van alle betrokkenen in het dossier, zodat verzoeker niet kan worden verweten zelf geen stukken te hebben bijgebracht over de medische problemen van zijn grootouders nu hij er in alle redelijkheid niet op kon anticiperen dat de voormelde bevindingen over de medische situatie van zijn grootouders in twijfel zouden worden getrokken. Indien de verwerende partij meer bewijs had gewenst over de medische situatie, had zij dat in het kader van een zorgvuldig handelen moeten opvragen, hetgeen zij niet heeft gedaan. In die context kan er ten overvloede nog op worden gewezen dat bij het verzoekschrift twee medische attesten voor grootvader en grootmoeder worden gevoegd en dat ter terechtzitting een medisch attest wordt voorgelegd waaruit blijkt dat de grootvader van verzoeker in het ziekenhuis werd opgenomen en daar twee maanden moet verblijven. Hoewel deze stukken niet ter kennis waren van de verwerende partij ten tijde van de besluitvorming en de gedateerde stukken dateren van na de bestreden beslissing bevestigen zij in wezen de informatie die reeds in het dossier voorhanden was.
Hoe dan ook blijkt duidelijk dat de grootouders te kennen hebben gegeven -en de opsteller van het FA heeft bevestigd- dat zij niet langer de draagkracht hebben om voor verzoeker te zorgen. Met de verwijzing naar het gegeven dat zij dat in het verleden wél op liefdevolle wijze hebben gedaan, dat hun financiële middelen en huisvesting volstaan, dat verzoeker zijn grootouders duidelijk mist en dat hij, gelet op zijn leeftijd al een zekere zelfredzaamheid zal hebben, maakt de verwerende partij volledig abstractie van de daadwerkelijke actuele capaciteit van de grootouders om hun kleinzoon te ondersteunen, op te voeden en te beschermen. Immers, het gaat niet enkel om de capaciteit om materieel zorg te dragen voor de minderjarige, maar ook over de mogelijkheid om pedagogische verantwoordelijkheid op te nemen als een in het geval van een zestienjarige puber niet onbelangrijk deel van de ondersteuning, opvoeding en bescherming die het gezin moet bieden. Hoewel dus rekening kan gehouden worden met de leeftijd en graad van zelfstandigheid van verzoeker, blijft hij een minderjarige, waardoor het onzorgvuldig is om ervan uit te gaan dat hij helemaal geen toezicht of ondersteuning meer nodig heeft op pedagogisch vlak. In die optiek is het motief dat beide grootouders naar België gereisd zijn om hun kleinzoon te komen bezoeken hetgeen aantoont dat hun inspanningscapaciteit niet van dien aard is dat ze niet meer in staat zijn om voor hun kleinzoon te zorgen, niet voldoende. Het feit dat zij kunnen reizen om hun kleinzoon te bezoeken, betekent immers niet dat zij in staat zijn om de pedagogische taken op zich te nemen, temeer nu verzoeker tijdens dit bezoek en reeds voor een langere periode in het gezin van zijn tante verbleef. Waar de verwerende partij nog wijst op het gegeven dat verzoeker in Albanië omringd wordt door de nodige liefde en zelf aangeeft zijn grootmoeder erg te missen, treedt de Raad verzoeker bij waar deze stelt dat de affectieve band tussen hem en zijn grootouders niet garant staat voor een duurzame oplossing bij terugkeer. Dit zegt immers niets over de capaciteit van de grootouders om de zorg en opvoeding voor verzoeker op zich te nemen en klemt des te meer nu uit het FA blijkt dat zij aangeven dit niet meer te kunnen, hoewel zij dit graag zouden willen. Het loutere gegeven dat overeenkomstig de geldende wettelijke bepalingen voorrang moet worden gegeven aan de vrijwaring van de eenheid van het gezin, volstaat tot slot niet om de bestreden beslissing te dragen. Er moet immers ook rekening worden gehouden met het hoger belang van het kind (cf. Artikel 61/17 van de Vreemdelingenwet), met de vraag of er garanties zijn op adequate opvang en verzorging (cf. Artikel 61/14, 2° van de Vreemdelingenwet) en met de vraag of de gezinssituatie van die aard is dat de minderjarige er opnieuw in kan worden opgenomen, en dat een terugkeer naar een ouder of een familielid wenselijk en opportuun is in het licht van de capaciteit van het gezin om het kind te ondersteunen, op te voeden en te beschermen (cf. artikel 74/16, § 2, tweede lid, 2° van de Vreemdelingenwet).
Kortom, de hiervoor aangehaalde motieven van de bestreden beslissing laten de verwerende partij niet toe voorbij te gaan aan de vaststellingen in het FA, dat zij nota bene zelf heeft besteld en waarin met zeer concrete vraagstellingen wordt gepeild naar de gezinssituatie en de mogelijkheid van de grootouders om de zorg en opvoeding weer op zich te nemen, en aan de conclusie van de evaluator dat het in het beste belang is van het kind om niet terug te keren aangezien de wettelijke voogden van de minderjarige niet voor hem kunnen zorgen omdat ze ziek en op leeftijd zijn. De Raad kan verzoeker dus volgen waar hij stelt dat het oordeel van de verwerende partij dat er geen concrete elementen voor handen zijn dat de leeftijd en de medische situatie van de grootouders van dien aard zijn dat het een disproportioneel negatieve impact zou hebben op het welzijn van hun kleinzoon, dat in het dossier voldoende elementen aanwezig zijn die aantonen dat een verblijf bij de grootouders mogelijk en zelfs wenselijk is en dat er geen enkel element aanwezig is dat zegt dat de grootouders niet in staat zijn om hun kleinzoon terug op te vangen en hem te voorzien in adequate opvang en verzorging, niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen.
Gelet op al het voorgaande heeft de verwerende partij onzorgvuldig geoordeeld dat verzoeker terug kan keren naar zijn land van herkomst, alwaar hij kan herenigd worden met zijn grootouders, en bijgevolg een bevel tot terugbrenging aan zijn voogd op te leggen.