Samenvatting
Hierboven werd reeds vastgesteld dat verzoeker als niet-begeleide minderjarige verzoeker om internationale bescherming is aangekomen. Uit de gegevens van het administratief dossier en de beslissing van de Dienst Voogdij blijkt dat verzoeker bij registratie van zijn verzoek in België op 5 december 2022 nog net geen veertien jaar oud was. Zo onduidelijkheid bestaat over de precieze datum van zijn vertrek uit Afghanistan, staat wel vast dat verzoeker op dertienjarige leeftijd Afghanistan heeft verlaten. In de mate dat hij tot zijn vertrek opgroeide volgens de Afghaanse normen en gebruiken kan niet voorbijgegaan worden aan het feit dat verzoeker op zeer jonge leeftijd Afghanistan verliet en een cruciaal deel van zijn puberteit in de Belgische geseculariseerde samenleving doormaakt.
Verzoeker legt door middel van zijn aanvullende nota een aantal stukken voor waaruit zijn scholing en kennis van de Franse taal blijkt. Het “attestation de fréquentation régulière des cours” uitgereikt door het Institut Nôtre-Dame in Bertrix bevestigt dat verzoeker als regelmatige leerling DASPA-onderwijs volgt sinds juni 2023. Het document getiteld “Autorisatrion d’admissibilité dans une autre année d’étude” van 8 november 2024 stelt dat de inegratieraad in december zal bijeenkomen om een attest van toegang tot een ander studiejaar af te leveren. In de brief van A.C., lerares Frans en integratie, van 8 november 2024 wordt gesteld dat verzoeker zeer snel vorderingen heeft gemaakt in zijn kennis van het Frans, zowel schriftelijk als mondeling en wordt omschreven als respectvol, beleefd en gedienstig. In de brief van de DASPA-coördinatrice, Q.S., van 7 november 2024 wordt gesteld dat ondanks de moeilijkheden bij het aanleren van de Franse taal, zijn engagement en doorzettingsvermogen ervoor gezorgd heeft dart hij een significante vooruitgang heeft gemaakt in de loop van het jaar. Er wordt verder gesteld dat verzoeker zich perfect heeft geïntegreerd in het schoolleven, goede relaties heeft met zijn leraren en zijn vrienden en dat zijn respectvolle houding ertoe leidt dat hij door iedereen gewaardeerd wordt. Ook de adjunct-directeur van de het Institut Nôtre Dame Bertrix bevestigt in zijn brief verzoekers motivatie en doorzettingsvermogen, respectvolle houding ten opzichte van anderen en stelt dat hij binnenkort wordt geïntegreerd in een gewone klas (Aanvullende nota verzoeker). Uit de notities van het persoonlijk onderhoud blijkt dat verzoeker verklaarde naar school te gaan en al een beetje Frans te spreken en dat hij meedoet met activiteiten voor jongens en meisjes die worden georganiseerd door het centrum (NPO, p. 9-10). Op de door verzoeker neergelegde foto’s is verzoeker te zien in het gezelschap van andere jongeren van diverse culturele achtergronden en begeleiders onder meer tijdens diverse activiteiten (aanvullende nota verzoeker, stuk 3). Verzoeker licht ter terechtzitting in het Frans toe dat hij graag naar school gaat en in zijn vrije tijd aan boksen doet en in de toekomst politieman zou willen worden. Verder zet hij uiteen dat hij aan boksen doet en twee maal per week gaat trainen in een boksclub in Bastogne. Dit wordt ook bevestigd door verzoekers voogd die ter terechtzitting op haar GSM foto’s van verzoeker toont tijdens een bokstraining. Verzoekers voogd licht ter terechtzitting toe dat verzoeker bij het begin van de voogdij op cognitief vlak wat problemen kende en gesloten was maar benadrukt dat hij op dertienjarige leeftijd vertrokken is uit Afghanistan. Zij stelt dat verzoeker een zeer positieve evolutie heeft doorgemaakt sindsdien, wat ook blijkt uit het feit dat binnenkort het DASPA onderwijs zal kunnen afronden en overstappen naar het gewone onderwijs waar hij in het derde middelbaar zal starten. Verzoekers voogd benadrukt ter terechtzitting ook dat het opvangcentrum waar verzoeker verblijft zeer afgelegen is en dat er voor jongeren zoals verzoeker niet veel mogelijkheden zijn om deel te nemen aan activiteiten buiten het opvangcentrum omdat deze moeilijk te bereiken zijn maar dat verzoeker gemotiveerd is voor de trainingen in de boksclub. Zij licht tenslotte ook toe dat verzoeker vaak als tolk optreedt voor andere jongeren in het opvangcentrum en aan nieuwkomers de gang van zaken in het centrum uitlegt en hen wegwijs maakt.
Verzoekers kennis van de Franse taal blijkt ook uit zijn toelichtingen ter terechtzitting waarvoor hij slechts af en toe beroep doet op de aanwezige tolk.
Uit het voorgaande blijkt reeds dat verzoeker zich sinds zijn aankomst in België openstelt voor en actief participeert in de Belgische samenleving.
Hij wordt daarbij onmiskenbaar sinds zijn binnenkomst als niet-begeleide minderjarige ondergedompeld in een maatschappij die is gebaseerd op opvattingen, waarden en normen die de uitdrukking vormen van grondrechten die zijn verankerd in het EVRM en het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, zoals gelijke behandeling van mannen en vrouwen, het recht op vrije meningsuiting en godsdienstvrijheid, die haaks staan op het gedachtegoed van de taliban. Dit vindt plaats tijdens zijn ontwikkeling als minderjarige en jonge tiener, een cruciale levensfase gedurende dewelke jongeren vatbaar zijn voor externe invloeden en die essentieel is in het vormen van een wereldbeeld en het aannemen van waarden en normen. Er kan daarbij, gelet op verzoekers jonge leeftijd bij aankomst en zijn traject in België, waaronder zijn scholing in een westers onderwijssysteem dat wordt afgekeurd door het huidige talibanregime zoals hierna verder besproken, redelijkerwijze worden aangenomen dat dit een impact heeft op zijn ontwikkeling als minderjarige, zijn opvattingen en de wijze waarop hij zich gedraagt, wat in belangrijke mate het risico verhoogt dat hij in geval van terugkeer naar zijn regio van herkomst zal opvallen in de lokale gemeenschap en bij de lokale talibanleiders en zal worden gepercipieerd als aangetast of beïnvloed door de waarden en normen van een westerse samenleving.
Voorts dient te worden vastgesteld dat verzoeker weliswaar bevestigde soennitisch moslim te zijn en religieuze lessen te hebben gevolgd in Afghanistan, maar gevraagd of hij hier in België soms nog de mogelijkheid heeft om naar een moskee te gaan, als volgt antwoordde: “Ja, veel mensen gaan wel maar ik blijf gewoon in het opvangcentrum, ik ben blij dat ik niet wordt lastiggevallen als ik niet bid, dat doe ik gewoon niet. Toen ik in Brussel in het opvangcentrum zat gingen sommige mensen gewoon naar de moskee op vrijdagnamiddag en ik ging gewoon spelen. Er waren ook moslims Arabieren en zij gingen wel voor het gebed. Bid je dan nooit meer in België? Ja, ik wil gewoon spelen en geniet van mijn leven. Als ik de hele tijd bid kijk ik naar de muren en dat heeft geen zin.”. Gevraagd of hij nog deelneemt aan de ramadan, verklaart verzoeker: “Ik wil niet meedoen met de vasten, met de ramadan want ik heb vaak honger. Mensen mogen van mij kiezen wat ze doen, het is niet dat ik zeg ik ben bekeerd maar ik ben niet geïnteresseerd in dagdagelijkse religieuze activiteiten” (NPO, p. 9). Ter terechtzitting bevestigt verzoeker dat hij niet naar de moskee gaat en niet deelneemt aan de Ramadan.
Hieruit blijkt dat verzoeker zich weliswaar een soennitisch moslim noemt, maar duidelijk niet meer praktiseert en bijgevolg een veel soepelere invulling geeft aan zijn religieuze overtuiging dan wat door het huidige taliban regime wordt voorgeschreven en in België gedrag vertoont dat hiertegen ingaat. In de beschikbare landeninformatie wordt bericht over het dat winkeliers en mannen door de taliban MPVPV winkeliers werden bedreigd opdat zij het vrijdaggebed zouden bijwonen. Volgens een bron zouden in Herat veiligheidsdiensten actief gepatrouilleerd hebben in bepaalde wijken van de stad op zoek naar personen die niet deelnamen aan het avondgebed gedurende de Ramadan daarbij winkeliers en omstaanders hebben aangevallen. Deze informatie kon evenwel niet bevestigd worden volgens het EUAA Country Focus rapport (EUAA, Country Focus Afghanistan, December 2023, p. 84-85). Uit de landeninformatie blijkt in elk geval wel dat het niet deelnemen aan de Ramadan, niet bidden en niet regelmatig naar de moskee gaan als afwijkend gedrag wordt beschouwd en dat niet kan worden uitgesloten dat personen die dergelijk gedrag vertonen hard kunnen worden aangepakt. Verder kan redelijkerwijze aangenomen worden dat deze personen minstens de negatieve aandacht van de MPVPV trekken. Zoals reeds aangehaald heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het begrip religieuze overtuiging ruim moet worden uitgelegd en dat de vervolgingsvrees gegrond is wanneer in redelijkheid kan worden aangenomen dat de verzoeker bij terugkeer in zijn land van herkomst godsdienstige handelingen zal verrichten die hem blootstellen aan een werkelijk gevaar van vervolging en dat daarbij van de verzoeker niet worden verwacht dat hij van deze godsdienstige handelingen afziet. In casu heeft verzoeker duidelijk aangegeven dat hij een moslim is maar dat hij bidden of deelnemen aan de Ramadan zinloos vindt. In tegenstelling tot wat in de bestreden beslissing wordt gesteld kan, gelet op zijn verklaringen, niet zonder meer van verzoeker worden verwacht dat hij de religieuze voorschriften zal volgen als hij terugkeert naar Afghanistan. Dat religie en de beleving ervan onderdeel zijn van het dagdagelijkse leven in Afghanistan doet geen afbreuk aan het feit dat verzoeker duidelijk een andere en allerminst strikte invulling geeft aan zijn religieuze overtuiging dan wordt vereist door het talibanregime. Zoals van een verzoeker niet kan worden verwacht dat hij afziet van godsdienstige handelingen die hij wil verrichten en die hem blootstellen aan een werkelijk gevaar van vervolging, kan van een verzoeker evenmin worden verwacht dat hij godsdienstige handelingen verricht die niet langer stroken met zijn persoonlijke invulling van zijn religieuze overtuiging om zo vervolging te voorkomen. Er is bij verzoeker dan ook minstens sprake van een toegeschreven religieuze overtuiging zoals geïnterpreteerd in de rechtspraak van het Hof van Justitie en uit het voorgaande volgt ook dat de invulling die verzoeker geeft aan zijn religieuze overtuiging sinds zijn aankomst in België afwijkt van de strikte vereisten opgelegd onder het huidige talibanregime. Gelet op zijn jonge leeftijd kan evenmin van verzoeker verwacht worden dat hij zijn in België verworven opvatting over en invulling van zijn religie in geval van terugkeer naar Afghanistan en zijn lokale gemeenschap verbergt of daarin steeds zou slagen mocht hij dit willen. Er kan dan ook in casu voor verzoeker worden aangenomen dat hij hierdoor eveneens in de kijker dreigt te lopen van het talibanregime of de lokale gemeenschap en ook om die reden zal worden gepercipieerd als aangetast of beïnvloed door de waarden en normen van een westerse samenleving.