Samenvatting
De verzoeker betoogt in zijn verzoekschrift onder meer dat hij medische documenten heeft voorgelegd. Hij geeft tevens aan dat uit deze medische documenten blijkt dat hij littekens heeft aan zijn hoofd, voorarm en enkel, en stelt dat deze, hoewel het moeilijk te bewijzen is dat deze het gevolg zijn van door de taliban toegebrachte slagen, niet door de verweerder kunnen worden genegeerd. De verzoeker benadrukt dat Dr. R. zelfs heeft geattesteerd dat het litteken op zijn hoofd gecreëerd werd door een harde klop op het hoofd met een stom voorwerp en dat dit overeenstemt met zijn relaas, zodat de medische documentatie in elk geval wel in acht moet worden genomen om de waarachtigheid van zijn asielrelaas te beoordelen.
Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de verzoeker inderdaad verschillende medische documenten heeft voorgelegd (map documenten, stukken 7, 11 en 14). Het gaat om medische attesten van Belgische artsen en artsen-specialisten die de verzoeker hebben onderzocht in 2021 en 2022. Uit deze medische informatie blijken onder meer de volgende vaststellingen. Op oftalmologisch vlak lijdt de verzoeker aan micro-oftalmie (zelfs nano-oftalmie) aan beide ogen waardoor zijn zicht bilateraal beperkt is tot 1,5/10 zonder enig uitzicht op verbetering middels operatieve ingreep (attest Dr. F. K. en Dr. A. V. d.d. 2 juni 2022, dienst oftalmologie ziekenhuis H. Citadelle). De verzoeker werd op 15 en op 16 maart 2022 in het Universitair Ziekenhuis te Leuven opgenomen op de dienst neurologie waar een 24-uur-EEG werd uitgevoerd. Dr. W. V. P. stelt vast dat er twee elektrografische epileptische aanvallen werden geregistreerd tijdens de slaap met focaal begin rechts centraal, zonder epileptische activiteit tussen de aanvallen door. Op 2 juni 2022 attesteert Dr. P. V., neuroloog verbonden aan het H.H. ziekenhuis te Tienen, verwijzend naar de resultaten van deze 24-uur-EEG en na de verzoeker onderzocht te hebben, dat het gaat om epileptische toevallen als etiologie van de recidiverende episodes van bewustzijnsdaling. Hij stelt voor het medicijn Keppra op te starten 2x750 mg., naargelang de evolutie zo nodig op te voeren naar 2x1000 mg. daags. Uit stuk 14 blijkt dat aan de verzoeker op 3 november 2022 nog een doos van 100 tabletten Keppra 750 mg. werd verstrekt.
Uit de stukken van het rechtsplegingsdossier blijkt dat de verzoeker op het CGVS tweemaal werd gehoord in het kader van zijn verzoek om internationale bescherming. Tijdens het eerste persoonlijk onderhoud, dat plaats vond op 26 oktober 2022 werd aan de verzoeker gevraagd of er bij het gehoor bepaalde gezondheidsproblemen zijn waarmee rekening dient te worden gehouden, waarop de verzoeker aangaf dat hij op zijn hoofd werd geslagen, dat hij hoofdpijnen krijgt als hij veel praat, dat zijn ogen niet goed zijn, en dat hij medicijnen neemt voor zijn geheugen (NPO 1, p. 3-4). Gevraagd welke medicijnen dit precies zijn, stelde de verzoeker dat het een grote doos is die hem werd gegeven nadat hij in het groot ziekenhuis van Leuven een test onderging waarbij ze iets op zijn hoofd plaatsten met 50 kabels (NPO 1, p. 4). De verzoeker legde toen ook medische documenten neer aangaande zijn oftalmologische problemen (map documenten, stuk 7). Bij het tweede persoonlijk onderhoud werd nogmaals dezelfde vraag gesteld. De verzoeker verklaarde opnieuw dat hij een bepaalde ziekte heeft, dat hij er medicatie voor gebruikt en hij stelt dat hij hier attesten van heeft, die hij ook neerlegt (map documenten, stukken 11 en 14). Het gaat, onder meer, om de hierboven besproken medische attesten alsook een foto van de medicatie die de verzoeker dagelijks inneemt voor zijn ogen en epilepsie (Keppra 750 mg.). De verzoeker lichtte vervolgens toe dat hij zowel voor zijn hoofd als voor zijn ogen medicatie neemt, dat hij soms twee of drie dagen bewusteloos is en dat zijn vriend dan voor hem zorgt en hem te eten geeft, dat hij een keer met de ambulance naar het ziekenhuis werd gebracht en dat zijn vriend zei dat hij vier uur bewusteloos was geweest. De verzoeker herhaalt ook dat hij naar het ziekenhuis van Leuven is geweest en dat ze daar begrijpen wat zijn ziekte is (NPO 2, p. 3). Op het einde van het tweede persoonlijk onderhoud gaf verzoekers advocaat nog de volgende opmerkingen: “U heeft (…) gevraagd (naar) de medische documenten. Het gaat over de ogen en ook over het hoofd blijkbaar. Want hier een document van 2022 die zegt epilepsie. Ik heb het onderlijnd. Een ander verslag van 2021 zegt geen epilepsie. Ik zou graag onderlijnen dat meneer een eenvoudige manier om op de vragen te antwoorden heeft. Ik weet niet of dit te maken heet met zijn epilepsie problemen. Maar volgens mij meneer niet zoals iedere verzoeker, want blijkbaar is hij intellectueel minder dan iemand anders. Dus rekening houden hiermee. (…) Toch zou ik graag onderlijnen dat meneer epilepsie heeft en dat heeft gevolgen op uw geheugen en gedachten. We gaan misschien proberen een bijkomend verslag daarvan te verkrijgen. Uw hoofd is wel kapot. (…) Dus om de tegenstrijdigheden te kunnen inschatten is het wel mogelijk om epilepsie in te voegen.” (NPO 2, p. 15-16).
De Raad stelt vast dat de verzoeker wel degelijk heeft gestaafd dat hij lijdt aan epilepsie en dat hij hiervoor zware medicatie moet innemen. In de bestreden beslissing wordt, bij de beoordeling van de bijzondere procedurele noden, erkend dat de verzoeker heeft verklaard dat hij lijdt aan geheugenproblemen en dat hij ziekte heeft waardoor hij soms bewusteloos is voor een tijdje. Uit de medische documentatie die door de verzoeker werd neergelegd, weerhoudt de commissaris-generaal echter enkel dat zij verzoekers oftalmologische problemen bevestigen en dat hieruit tevens blijkt dat de verzoeker soms pseudo-aanvallen van epilepsie heeft. Dit correspondeert echter niet helemaal met de door de verzoeker neergelegde medische attesten. De commissaris-generaal ziet immers over het hoofd dat de verzoeker verschillende neurologische ests heeft ondergaan. Zo had hij een neurologisch consult op 8 december 2021 in het H.H. ziekenhuis te Tienen, waar omwille van een anamnese van een tweetal episodes van onwelzijn met klonieën, een eerste maal een (gewone) EEG werd uitgevoerd. Op deze EEG was geen epileptische activiteit te zien, zodat Dr. P. V. besloot dat er geen indicatie was tot het opstarten van anti-epileptica. Op 12 januari 2022 wordt de verzoeker nogmaals onderzocht op de afdeling neurologie van het H.H. ziekenhuis te Tienen wegens een vermoeden van epileptische toevallen. Dr. P. V. stelt hierbij dat een adequate evaluatie en heteroanamnese niet mogelijk is en dat het “mogelijk(s) gaat (…) om pseudoaanvallen”, waarna hij gelet op de diagnostische onzekerheid de verzoeker doorverwijst naar het UZ Leuven voor een 24-uurs-EEG. Op 15 en 16 maart 2022 werd de verzoeker in het UZ Leuven opgenomen op de dienst neurologie waar een 24-uur-EEG wordt uitgevoerd. Dr. W. V. P. (UZ Leuven) stelt op grond van dit onderzoek vast dat er twee elektrografische epileptische aanvallen werden geregistreerd tijdens de slaap met focaal begin rechts centraal, zonder epileptische activiteit tussen de aanvallen door. Op 2 juni 2022 attesteert Dr. P. V., neuroloog verbonden aan het H.H. ziekenhuis te Tienen, verwijzend naar de resultaten van deze 24-uur-EEG en na de verzoeker onderzocht te hebben, dat de epileptische toevallen aan de oorzaak liggen van verzoekers recidiverende episodes van bewustzijnsdaling. Hij stelt voor het anti-epilepticum Keppra op te starten 2x750 mg., naargelang de evolutie zo nodig op te voeren naar 2x1000 mg. daags. Uit stuk 14 blijkt dat aan de verzoeker op 3 november 2022 nog een doos van 100 tabletten Keppra 750 mg. werd verstrekt. Uit de meest recente en meest uitgebreide neurologisch onderzoeken blijkt zodoende dat de verzoeker wel degelijk epileptische aanvallen heeft, waarvoor hij zware anti-epileptica inneemt (Keppra 2x750 mg. daags).
Uit het administratief dossier blijkt dat bij de registratie van het beschermingsverzoek op 5 juli 2021 een aantal kwetsbaarheden in hoofde van de verzoeker werden vastgesteld. Onder de rubrieken “fysieke handicap” en “andere” werd genoteerd dat de verzoeker sinds zijn geboorte problemen heeft met zijn zicht en dat hij ook lijdt aan een chronisch bewustzijnsverlies (administratief dossier, map DVZ, stuk getiteld “Enregistrer demande protection internationale (DPI)”). Hoewel de verzoeker op 3 augustus 2021, in overeenstemming met artikel 48/9 van de Vreemdelingenwet, de mogelijkheid werd geboden om de nodige elementen aan te brengen waaruit zijn eventuele bijzondere procedurele noden kunnen blijken, maakte hij op de Dienst Vreemdelingenzaken geen dergelijke noden kenbaar (administratief dossier, map DVZ, Vragenlijst “bijzondere procedure noden” DVZ, 3 augustus 2021). Niettemin werden er op 3 augustus 2021 in hoofde van de verzoeker alsnog bijzondere procedurele noden aangenomen, waarbij werd vastgesteld dat de verzoeker sinds zijn geboorte problemen heeft met zijn ogen waardoor hij moeilijk kan zien in het donker (administratief dossier, map DVZ, “Beoordeling bijzondere procedurele noden”, 3 augustus 2021). Hoewel de betrokken ambtenaar uit eigen beweging verzoekers problemen met zijn zicht als bijzondere procedure nood heeft geïdentificeerd, blijkt niet waarom verzoekers episodes van verminderd bewustzijnsvermogen - zoals initieel bij de registratie van zijn beschermingsverzoek aangegeven onder de rubriek “autre” en bevestigd door de later neergelegde medische stukken waaruit blijkt dat de verzoeker lijdt aan epilepsie en waar een arts-specialist attesteert dat deze epileptische aanvallen aan de basis liggen van zijn recidiverende periodes van bewustzijnsdaling - niet als een bijzondere procedurele nood werd in aanmerking genomen. Bovendien blijkt dat de verzoeker voor zijn epilepsie wordt behandeld met het anti-epilepticum Keppra 750 mg. Deze gegevens worden niet betwist. Verzoekers advocaat heeft er bij het tweede persoonlijk onderhoud op aangedrongen dat verzoekers epilepsie zou worden meegewogen in de beoordeling van de waarachtigheid van zijn verklaringen.
Hoewel het administratief dossier zodoende meerdere aanwijzingen bevatte van mogelijke kwetsbaarheden en eventuele procedurele noden, is de verzoeker evenwel niet verder specifiek bevraagd over de gevolgen die zijn aandoening en de medicatie die hij dient in te nemen teweeg brengen op zijn vermogen om gebeurtenissen, die dateren van voor zijn vertrek in mei 2020, correct te kunnen reproduceren. De verzoeker werd vervolgens tijdens zijn tweede persoonlijk onderhoud op het CGVS geconfronteerd met een aantal tegenstrijdigheden tussen de toen afgelegde verklaringen en zijn eerdere verklaringen tijdens het eerste persoonlijk onderhoud op het CGVS en zijn initiële verklaringen op de DVZ. Verzoekers advocaat heeft er toen op aangedrongen dat verzoekers epilepsie zou worden meegewogen in de beoordeling van de waarachtigheid van zijn verklaringen. Hiervan is echter niets terug te vinden in de bestreden beslissing, waar omtrent de bijzondere procedurele noden enkel het volgende wordt gesteld: “ U haalt tijdens uw eerste persoonlijk onderhoud aan problemen te hebben met uw zicht en vaak hoofdpijn te hebben. Ook beweert u te lijden aan geheugenproblemen (zie CGVS, eerste persoonlijk onderhoud van 26/10/2022, p.3 en 4). Tijdens uw tweede persoonlijk onderhoud haalt u ook aan dat u een ziekte heeft waardoor u soms bewusteloos bent voor een tijdje (zie CGVS, tweede persoonlijk onderhoud van 24/02/2023, p.3). Vooreerst dient er opgemerkt te worden dat u verscheidene medische attesten neerlegt waaruit de problemen met uw zicht bevestigd worden en waaruit blijkt dat u soms pseudo-aanvallen van epilepsie hebt. Over uw geheugenproblemen dient voorts gezegd te worden dat hier op geen enkel moment gewag over wordt gemaakt in de talloze medische documenten die u neerlegt. Er kan dan ook geenszins objectief vastgesteld worden als zou u lijden aan eventuele geheugenproblemen. Wat er ook van zij, aan het begin van het persoonlijk onderhoud werd benadrukt dat u ten allen tijde kon aangeven als u nood had aan een pauze, buiten de gebruikelijke pauze in het midden van het persoonlijk onderhoud (zie CGVS, eerste persoonlijk onderhoud, p.4). Het gehoorverslag van uw eerste persoonlijk onderhoud telt 21 pagina’s. Buiten de pauze die standaard wordt aangeboden op pagina 14 vroeg u geen bijkomende pauze aan. Ook tijdens uw tweede persoonlijk onderhoud vroeg u geen bijkomende pauzes aan. Er bleek tijdens beide persoonlijke onderhouden niet dat er bijzondere steunmaatregelen aangewezen waren behalve deze pauzes. Tijdens uw persoonlijke onderhouden op het CGVS kon evenmin worden opgemaakt dat u het moeilijk had om bepaalde vragen te beantwoorden. U begreep alle vragen en gaf ter zake zonder aarzeling of lange pauzes antwoord. Beide persoonlijke onderhouden namen in normale omstandigheden plaats. Ook op het einde van het tweede persoonlijk onderhoud werd gevraagd of u het gevoel had dat u alles hebt kunnen vertellen tijdens het onderhoud, waarop u bevestigend antwoordde, en ook uw advocaat maakte geen opmerkingen over het verloop van het persoonlijk onderhoud (zie CGVS, tweede persoonlijk onderhoud, p.14).” om vervolgens gewoonweg te stellen dat de vastgestelde tegenstrijdigheden vernietigend zijn voor de geloofwaardigheid van verzoekers verklaring dat hij door de taliban werd ontvoerd en geslagen.
Ondanks verzoekers verklaringen en de opmerkingen van zijn advocaat op het einde van het tweede persoonlijk onderhoud en ondanks de neergelegde medische attesten waaruit blijkt dat de verzoeker lijdt aan epilepsie die aan de oorzaak ligt van recidiverende periodes van bewustzijnsdaling, en ondanks dat de commissaris-generaal op de hoogte is van verzoekers medicamenteuze behandeling met Keppra 750 mg., werd de verzoeker niet verder bevraagd over eventuele geheugenproblemen die aan zijn aandoening en/of medicamenteuze behandeling zouden zijn verbonden. De verweerder beperkt zich tot de loutere vaststelling dat in de medische attesten zelf niet wordt geattesteerd dat er geheugenproblemen zijn verbonden aan de “pseudoaanvallen van epilepsie”. Hierbij miskent hij echter de meest recente medische attesten die, in weerwil van de eerder geopperde hypothese dat het mogelijks om pseudo-aanvallen zou gaan, wel degelijk gewag maken van door een 24-uur-EEG geregistreerde epileptische aanvallen die momenteel worden behandeld met het anti-epilepticum Keppra 750 mg. In het licht van de eerdere, oorspronkelijke erkenning van bijzondere procedurele noden en kwetsbaarheden, verzoekers verklaringen tijdens het persoonlijk onderhoud en de bijgebrachte medische attesten, is het de Raad bovendien niet duidelijk hoe de commissaris-generaal tot het besluit is gekomen dat er in hoofde van de verzoeker geen specifieke procedurele noden kunnen worden aangenomen.
Het blijkt niet dat er terdege rekening is gehouden met het gegeven dat de verzoeker lijdt aan epilepsie met recidiverende periodes van bewustzijnsdaling, waarvoor hij wordt behandeld met Keppra 750 mg., hetgeen een impact zou kunnen hebben op zijn verklaringen bij de DVZ en het CGVS. Doordat de verweerder niet verder is gegaan dan de loutere vaststelling dat in de neurologische diagnostische attesten niet uitdrukkelijk wordt geattesteerd dat er geheugenproblemen kunnen optreden als gevolg van de epilepsie en/of medicamenteuze behandeling, en bij gebrek aan concrete bevraging of onderzoek omtrent de mogelijke gevolgen van deze aandoening en behandeling, wordt de Raad, die zelf geen verdere onderzoeksbevoegdheid heeft, niet in staat gesteld om te evalueren of de inconsistenties in verzoekers opeenvolgende verklaringen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas.
Dit klemt in casu des te meer nu de verzoeker eveneens een medisch attest heeft voorgelegd ter ondersteuning van zijn verklaarde mishandelingen door de taliban. Verzoekers behandelende arts, Dr. R., attesteert op 8 november 2022 dat hij de verzoeker heeft onderzocht en dat zij het volgende heeft vastgesteld: “Crâne: présence à l’avant du scalp d’une cicatrice en forme de croissant, glabre, mesurant eviron 4 cm de long sus 3 mm de large ; un bourrelet de réparation osseuse post-fracturaire et fibrose sous-cutanée est palpable sous la cicatrice et assez sensible au toucher. Ceci concorde avec la cause évoquée par l’intéressé: coup violent sur le crâne par objet contondant. Avant-bras droit: un gonflement modéré et diffus est visible et palpable au tiers distal du versant radial; sa taille est estimée à 5-6 cm de grand axe; on palpe un cal de réparation osseuse sous-jacent, indolore. Cheville drote: on note une tuméfaction périmaléolaire interne douloureuse au toucher (mais aussi, selon lui, en appui à la marche, et sensible aux changements de température); on relève aussi la présence de 4 cicatrices superficielles: deux, supra-maléolaires, sont hypocromes, infracentimétriques et longilignes; les deus autres, sur la maléole même, sont rondes, centimétriques et hyperchormes; la mobilité globale de la cheville est quelque peu limitée. Ces lésions visibles sont compatibles aves des déchirures cutanées anciennes (> 1 an) et des séquelles de fractures aniciennes, consolidées sans réelle stabilisation par plâtre ou chirurgicale. Elle dénotent des traumatismes subis et non pris en charge médicamentalement en vue d’une aide à la guérison.” (vrije vertaling: Schedel: een haarloos, halvemaanvormig litteken vooraan op de hoofdhuid, ongeveer 4 cm lang en 3 mm breed; een postfractuur botreparatie en onderhuidse fibrose uitstulping is voelbaar onder het litteken en vrij zacht om aan te raken. Dit komt overeen met de door de patiënt gesuggereerde oorzaak: gewelddadige slag op de schedel met een stomp voorwerp. Rechter onderarm: een matige, diffuse zwelling is zichtbaar en voelbaar in het distale derde deel van de radiale zijde; de grootte wordt geschat op 5-6 cm lang; een onderliggend, pijnloos botherstel callus wordt gepalpeerd. Rechter enkel: er was een zwelling rond de mediale malleolus die pijnlijk aanvoelde (maar volgens hem ook pijnlijk was bij het lopen en gevoelig voor temperatuursveranderingen); er waren ook 4 oppervlakkige littekens: twee, op de supra-malleolus, waren hypocroom, infracentimetrisch en langgerekt; de andere twee, op de malleolus zelf, waren rond, centimetrisch en hyperchroom; de algehele mobiliteit van de enkel was enigszins beperkt. Deze zichtbare laesies zijn compatibel met oude huidscheuren (> 1 jaar) en de gevolgen van oude fracturen, geconsolideerd zonder echte stabilisatie door gips of chirurgie. Ze duiden op trauma dat niet medisch behandeld is om genezing te bevorderen).
De Raad wijst erop dat medische attesten niet als alleenstaande gegevens kunnen worden gezien binnen het onderzoek van verzoeken om internationale bescherming. Ze maken deel uit van het geheel van de elementen die voorliggen ter beoordeling van de nood aan internationale bescherming. Het gewicht dat hieraan wordt gegeven, moet dan ook bepaald worden binnen dit geheel. Deze attesten moeten dus steeds beoordeeld worden in samenhang met de verklaringen van een verzoeker. Dit geldt in casu des te meer nu de behandelende arts heeft geattesteerd dat de verwondingen aan verzoekers hoofd compatibel zijn met de door de verzoeker gesuggereerde oorzaak: gewelddadige slag op de schedel met een stomp voorwerp.
Uit de bestreden beslissing blijkt echter niet dat de inhoud van het voormelde medisch attest van 8 november 2022 concreet werd betrokken bij het ontleden van verzoekers verklaringen omtrent de ontvoering en mishandelingen door de taliban. Niettemin wordt niet betwist dat het aanbrengen van slagen met een bot voorwerp op de schedel, met de door verzoekers behandelende arts omschreven schade en littekens tot gevolg, een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling kan uitmaken. De waarde van correct opgestelde attesten in het kader van de beoordeling van de aannemelijkheid van een vluchtrelaas werd reeds herhaaldelijk erkend door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (onder meer EHRM 18 april 2013, nr. 18372/10, MOM t. Frankrijk; EHRM 9 maart 2010, nr. 41.827/07, RC t. Zweden en EHRM 5 september 2013, nr. 61.204/09 I.t. Zweden). Voorts heeft de Raad van State reeds geoordeeld dat de asielinstanties zich in dergelijke situaties niet kunnen beperken tot een loutere verwijzing naar de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas en de vaststelling dat de medische stukken niet kunnen aantonen dat de betrokken letsels werden veroorzaakt in de door de verzoeker beschreven omstandigheden, maar dat zij er zich van moeten vergewissen dat de oorsprong van de letsels is onderzocht en dat de risico's die zij aan het licht brachten zijn geëvalueerd, hetgeen in casu niet is gebeurd.