Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 319.165 - 20-12-2024

Samenvatting

In deze zaak stelt de Raad allereerst vast dat de verweerder ervoor heeft gekozen om het visumweigeringbesluit te baseren op artikel 10 van de wet van 15 december 1980, dat van toepassing is op onderdanen van derde landen die zich bij een familielid willen voegen, eveneens een onderdaan van een derde land, die toegelaten is of toestemming heeft om in het Koninkrijk te verblijven, terwijl verzoekster en haar echtgenoot beide Europese burgers zijn. Vervolgens heeft zij haar weigering gemotiveerd met de volgende vaststellingen:

- Uit het administratief dossier blijkt dat de heer [H.] geen vaste verblijfplaats heeft. In deze situatie kan niet worden voldaan aan de voorwaarde van feitelijke samenwoning, een noodzakelijke eis volgens artikel 10;
- Uit het advies van de diplomatieke post blijkt dat de betrokken persoon een medisch attest heeft toegevoegd, opgesteld door een niet-erkende arts, zonder gelegaliseerde handtekening door de bevoegde lokale autoriteit (de lokale gezondheidsdienst), zonder apostille van de bevoegde lokale instantie 'Prefectuur van het Departement Constanta', zoals vereist bij een attest van een niet-erkende arts. Het uittreksel uit het strafregister is een eenvoudige foto zonder vertaling of apostille. De echtheid is dus niet gegarandeerd.

Wat betreft het eerste motief, namelijk het ontbreken van een vast adres van de referentiepersoon en de ‘feitelijke samenwoning’ van de echtgenoten, stelt de verzoekende partij dat de notie “samenleven” in artikel 10 van de wet van 15.12.1980 niet gelijkgesteld kan worden aan “feitelijke samenwoning”’ en dat ‘de tegenpartij een extra voorwaarde toevoegt aan de wet en een overduidelijk onvoldoende motivering hanteert om haar beslissing te rechtvaardigen’.

(…)

Zo is het voor de verzoekster enkel vereist dat zij ‘gaat samenleven’ met de persoon waarmee zij wil herenigen, in dit geval haar echtgenoot. De Raad volgt de verzoekster in haar standpunt dat artikel 10 geen vereiste van ‘feitelijke samenwoning’ bevat, en dat de tegenpartij onterecht een extra voorwaarde stelt door te eisen dat de herenigende persoon een vast adres heeft. Bovendien vindt de Raad dat deze motivering geen duidelijkheid verschaft aan de verzoekster noch aan de Raad over de redenen waarom de tegenpartij van mening is dat de verzoekster niet bij haar echtgenoot in België zou gaan wonen, enkel omdat hij geen vast adres heeft.

Dit geldt des te meer omdat, volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, het familieverband tussen echtgenoten of partners wordt verondersteld te bestaan (zie o.a. EHRM, 21 juli 1988, Berrehab/Nederland, § 21; EHRM, 28 november 1996, Ahmut/Nederland, § 60). In dit geval wordt het familieverband tussen de verzoekster en haar echtgenoot, dat officieel is vastgelegd in een huwelijksakte, niet formeel betwist en de geldigheid van dit document wordt door de verwerende partij niet betwist. Bovendien bevat het administratief dossier geen enkel element dat de hierboven vermelde vermoedens kan weerleggen. Het bestaan van een gezinsleven aan hun zijde mag dan ook worden aangenomen.

Daarom heeft de verwerende partij een ontoereikende motivatie gehanteerd en artikel 10 van de wet van 15 december 1980 geschonden door een extra voorwaarde toe te voegen aan deze bepaling.
Met betrekking tot het uittreksel uit het strafregister dat de verzoekende partij heeft ingediend bij haar visumaanvraag, stelt zij dat “het ontbreken van een apostille en een vertaling haar niet kan worden verweten gelet op de toepasselijke Europese regelgeving” en verwijst daarbij naar de artikelen 2, 4 en 7 van Verordening 2016/1191.

Zoals hierboven vermeld, heeft de verwerende partij haar beslissing tot visumweigering gebaseerd op artikel 10 van de wet van 15 december 1980, die geldt voor onderdanen van derde landen. Aangezien beide verzoekers echter Europese burgers zijn, mag zij hen geen voorwaarden opleggen die hun recht op vrij verkeer binnen de Europese Unie zouden beperken.

In dat kader merkt de Raad op dat volgens artikel 2 van Verordening 2016/1191, die is bedoeld om het vrije verkeer van burgers te bevorderen door de vereenvoudiging van de presentatie van bepaalde openbare documenten binnen de Europese Unie, deze verordening geldt voor « openbare documenten die door de autoriteiten van een lidstaat zijn uitgegeven conform het nationale recht van die lidstaat en die aan de autoriteiten van een andere lidstaat moeten worden voorgelegd met als voornaamste doel het bewijzen van één of meer van de volgende feiten: […] m) het ontbreken van een strafblad, op voorwaarde dat de betreffende openbare documenten voor een Unieburger worden afgegeven door de autoriteiten van de lidstaat waarvan die burger de nationaliteit heeft. […] » (aldus de Raad).

Artikel 4 van de Europese Verordening 2016/1191 bepaalt: (…).

Uit deze bepalingen volgt dat het uittreksel uit het strafregister, zoals verstrekt door de Roemeense autoriteiten, moet worden beschouwd als gewaarmerkt en dat de verweerder de authenticiteit ervan niet had mogen betwisten zoals is gebeurd in het bestreden besluit.

Met betrekking tot het ontbreken van een vertaling van het betreffende uittreksel uit het strafregister stelt de Raad vast dat artikel 7 van dezelfde Verordening 2016/1191 bepaalt: (…)

Uit geen enkel stuk van het administratief dossier, en in het bijzonder niet uit de e-mailcorrespondentie tussen de maatschappelijk werkster van vzw Siréas en de Belgische Ambassade in Boekarest van 31 mei 2023, blijkt dat de verwerende partij aan de verzoekende partij gevraagd heeft om dit meertalige standaardformulier te verstrekken.

Daarom acht de Raad het aannemelijk om de verzoekende partij te volgen in haar stelling dat “De tegenpartij kon zich er dus niet toe beperken om de echtheid van het verstrekte uittreksel uit het strafregister in twijfel te trekken vanwege het ontbreken van een apostille en vertaling, terwijl de Europese regelgeving een dergelijke akte vrijstelt van apostillering en zij zelf bevoegd was om, indien gewenst en uit eigen initiatief, om een vertaling van dit officieel Europees document te verzoeken”.

Tot slot, wat betreft het medische attest dat de verzoekende partij heeft overgelegd ter ondersteuning van haar visumaanvraag, merkt de Raad op dat zij een standaard medisch attest heeft ingediend conform het model dat is opgenomen bij de wet van 15 december 1980, opgesteld in het Frans, en voorzien van de stempel en het sociaal zekerheidsnummer van de arts. De verzoekende partij stelt dat “hoewel de verplichting om een medisch attest te verstrekken ter bewijs dat zij niet lijdt aan een ziekte die de volksgezondheid in gevaar kan brengen een voorwaarde is zoals voorzien in artikel 10 van de wet van 15.12.1980, noch uit de wet, noch uit het koninklijk besluit van 08.10.1981, noch uit de Europese Richtlijn 2003/86 betreffende het recht op gezinshereniging voor een vluchtelingenpartner, volgt dat dit medisch attest door een erkend arts moet zijn opgesteld of gelegaliseerd”.

De Raad merkt op dat deze voorwaarde uitsluitend is opgenomen in artikel 10, §1e, eerste lid, 6°, van de wet van 15 december 1980, waarin staat: (…), wat niet het geval is voor de verzoekster in deze zaak. Uit artikel 10, §1e, eerste lid, 4°, en artikel 12bis, §2, van de wet van 15 december 1980 blijkt nergens dat het medisch attest moet worden verstrekt door een arts erkend door de ambassade. De Raad stelt opnieuw vast dat de verweerder door zijn motivering een extra voorwaarde aan de wet toevoegt.