Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 319.714 - 9-01-2025

Samenvatting

De door verzoeker aangevoerde schending van de zorgvuldigheidsplicht en van de materiële motiveringsplicht dient in casu te worden onderzocht in het raam van de toepassing van de bepalingen van artikel 40bis van de Vreemdelingenwet. Voormeld wetsartikel voorziet in een recht op verblijf voor de descendent van een in België verblijvende burger van de Unie die jonger is dan eenentwintig jaar of die in het land van oorsprong dan wel herkomst ten laste is van deze burger die hij begeleidt of vervoegt.

Verzoeker houdt in wezen voor dat, aangezien hij het Rijk binnenkwam voor hij de leeftijd van eenentwintig jaar bereikte, in casu niet kon worden vereist dat hij aantoonde dat hij ten laste was van zijn Italiaanse vader in zijn land van oorsprong of herkomst. Hij wijst erop dat hij reeds in 2015 naar België kwam en stelt dat verweerder de leeftijd die hij op dat ogenblik had in aanmerking had dienen te nemen. Hij kan evenwel niet worden gevolgd in zijn argumentatie. De Raad dient er immers op te wijzen dat artikel 40bis van de Vreemdelingenwet een omzetting vormt van artikel 7.2 van de richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (hierna: de richtlijn 2004/38/EG). Dit artikel uit de richtlijn voorziet in een recht op verblijf voor familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten en die een burger van de Unie begeleiden of vervoegen die zelf voldoet aan de voorwaarden om tot een verblijf van meer dan drie maanden in het gastland te worden toegelaten. Aangezien verzoeker een recht op verblijf laat gelden in functie van zijn vader en deze, volgens de aan de Raad voorgelegde stukken, pas in 2019 tot een verblijf als burger van de Unie in België werd toegelaten, kan niet worden besloten dat verweerder rekening had dienen te houden met het gegeven dat verzoeker zelf reeds sedert 2015, op onwettige wijze, in het Rijk verbleef. Het spreekt voor zich – gelet op de bewoordingen van deze bepalingen – dat verzoeker pas een recht op verblijf, op grond van artikel 40bis van de Vreemdelingenwet of artikel 7.2 van de richtlijn 2004/38/EG, kan ontlenen aan een persoon die zelf in het gastland verblijft en van wie werd vastgesteld dat hij voldoet aan de voorwaarden om zelf een recht op verblijf te genieten. Er dient ook op te worden gewezen dat het Hof van Justitie van de Europese Unie reeds duidelijk aangaf dat verweerder de situatie in aanmerking dient te nemen op het ogenblik dat het familielid van een burger van de Unie verzoekt zich bij die burger te mogen voegen (cf. HvJ 9 januari 2007, C􀀀1/05, Jia, punt 37; HvJ 14 maart 2014, C􀀀423/12, Reyes, punten 22 en 30). Aangezien een toelating om tot een verblijf in België te worden toegelaten door een vreemdeling, die zelf geen burger van de Unie is, in regel dient te worden aangevraagd via de Belgische diplomatieke vertegenwoordiging in zijn land van herkomst of oorsprong kan logischerwijs het tijdstip waarop deze vreemdeling op het Belgische grondgebied aankwam op zich niet als startpunt worden genomen om te bepalen aan welke voorwaarden hij dient te voldoen om een dergelijk recht op verblijf te genieten.

Verzoekers betoog dat op basis van de door hem voorgelegde stukken kon worden vastgesteld dat hij sedert 2015 in België is en dat hij het grondgebied van het Rijk nooit heeft verlaten is, gelet op het voorgaande, in voorliggende zaak niet dienend. Ten overvloede wijst de Raad erop dat uit een kopie van twee bladzijden van een huurovereenkomst, waarin geen enkele naam staat vermeld, niet kan worden afgeleid dat verzoeker bij zijn ouders in België inwoonde en dat hij niet aantoont dat hij, voor de bestreden beslissing werd genomen, de andere documenten waarnaar hij verwijst en die hij bij zijn verzoekschrift voegt aan verweerder overmaakte. Er kan bijgevolg niet worden besloten dat verweerder onzorgvuldig optrad door documenten die niet dienstig zijn of waarover hij niet beschikte niet bij zijn besluitvorming te betrekken.

In zoverre verzoeker ter onderbouwing van zijn betoog nog verwijst naar een aantal arresten van de Raad moet worden gesteld dat deze arresten geen precedentenwerking hebben. Daarenboven moet worden opgemerkt dat verzoeker in deze arresten schijnbaar ook dingen leest die er niet in staan. In het arrest nr. 181 327 van 26 januari 2017 wordt niet aangegeven dat de voorwaarde van het ten laste zijn niet geldt indien “de descendent voor zijn aankomst in België jonger was dan 21 jaar”. In dit arrest wordt geduid dat de leeftijd van achttien jaar geen relevant criterium is om te bepalen of de voorwaarde van het ten laste zijn speelt. De verwijzing naar het arrest nr. 163 233 van 29 februari 2016, waarin de Raad heeft aangegeven dat het kennelijk onredelijk is om te vereisen dat een persoon die op minderjarige leeftijd zijn land van herkomst verliet en jaren later een recht op verblijf laat gelden als familielid van een burger van de Unie bewijzen zou voorleggen dat hij zelf geen eigendommen of inkomsten had in dat land, doet geen afbreuk aan wat in casu reeds werd vastgesteld aangaande het tijdstip waarop een recht op verblijf in functie van een burger van de Unie kan ontstaan en het ogenblik waarop een verblijfsaanvraag moet worden beoordeeld. Het arrest nr. 148 917 van 30 juni 2015 bevestigt het standpunt dat indien een zoon die ouder is dan eenentwintig jaar zijn vader wenst te vervoegen het hem toekomt aan te tonen dat hij ten laste is van deze vader. In dit arrest wordt verder bevestigd dat de situatie op het ogenblik waarop de verblijfsaanvraag wordt ingediend als uitgangspunt moet worden genomen.

Door in de bestreden beslissing te duiden dat verzoeker slechts kan worden beschouwd als ten laste van zijn ondertussen in België verblijvende vader indien er een onafgebroken afhankelijkheidsrelatie bestaat van in het land van herkomst of origine tot op het moment van de aanvraag gezinshereniging heeft verweerder geen standpunt ingenomen dat niet verenigbaar is met de bepalingen van artikel 40bis van de Vreemdelingenwet. Het gegeven dat een descendent van een burger van de Unie voor hij een recht op verblijf liet gelden en hij de leeftijd van eenentwintig jaar had bereikt al illegaal in het gastland verbleef impliceert niet dat deze, wanneer hij een verblijfsaanvraag indient nadat hij eenentwintig jaar is geworden, niet dient aan te tonen dat hij ten laste is van deze burger van de Unie. Verzoeker maakt niet aannemelijk dat een illegaal verblijf in het gastland – wat een misdrijf is – leidt tot een vrijstelling van een wettelijke vereiste.

Waar verzoeker, in een tweede onderdeel van zijn middel, stelt dat hij heeft aangetoond dat zijn ouders actueel voldoende bestaansmiddelen hebben om hem ten laste te nemen, moet worden aangegeven dat hij hiermee niet aantoont dat de motivering van de bestreden beslissing gebrekkig is of dat verweerder enige onwettigheid heeft begaan door aan te geven dat er geen bewijzen zijn waaruit kan worden afgeleid dat hij voor hij een verblijfsaanvraag indiende en van in zijn land van herkomst ten laste was van zijn vader.

De uiteenzetting van verzoeker laat niet toe te concluderen dat de bestreden beslissing niet zorgvuldig werd voorbereid of dat deze is genomen op grond van onjuiste gegevens, op kennelijk onredelijke wijze of met overschrijding van de appreciatiebevoegdheid waarover verweerder beschikt.