Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 320.176 - 17-01-2025

Samenvatting

Verzoekster stelt Ethiopië te hebben verlaten omwille van de problemen en de isolatie die zij ondervonden zou hebben nadat zij verliefd werd op een kerkelijke leerkracht. Blijkens de bestreden beslissing worden deze problemen niet zwaarwichtig noch actueel genoeg geacht. Verweerder was verder van oordeel dat verzoeksters psychologische problematiek, die niet betwist wordt, de vaagheden en onaannemelijkheden in haar relaas niet kon verklaren of verschonen.

Samen met verweerder kan worden vastgesteld dat verzoekster psychologisch kwetsbaar is. Luidens de verschillende medische, psychologische en gerechtelijke documenten staat verzoekster sinds maart 2022 onder bewindvoering, wordt zij nauwlettend opgevolgd door een psycholoog omwille van (onder meer) post-traumatisch stresssyndroom en paranoïde wantrouwen en werd zij verschillende keren (gedwongen) opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Verzoeksters instabiele mentale toestand kon ook ter terechtzitting worden waargenomen.

Nog daargelaten de vraag of verzoekster door haar medische en psychologische problematiek alsook het feit dat zij onder bewindvoering staat wel in de mogelijkheid zou zijn om op volwaardige wijze deel te nemen aan de procedure inzake haar verzoek om internationale bescherming, kan het verzoekschrift alleszins worden gevolgd waar gesteld wordt dat verweerder had moeten onderzoeken of verzoekster omwille van haar ernstig psychologisch kwetsbaar profiel een risico loopt op vervolging omwille van het behoren tot een specifieke sociale groep in toepassing van artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet of op het lijden van ernstige schade bestaande uit foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in toepassing van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet.

Hiertoe volstaat de bestreden beslissing geenszins met de enkele stellingen dat uit verzoeksters verklaringen niet blijkt dat zij discriminatie of isolatie van de gemeenschap vreest net omwille van haar gezondheidsproblemen en dat de vraag gesteld werd naar de mogelijkheid om in Ethiopië professionele hulp te krijgen indien men kampt met psychologische problemen, waarop verzoekster een ziekenhuis noemde dat volgens de informatie in het administratief dossier nog bestaat.

In het verzoekschrift wordt terecht aangehaald dat verzoeksters advocaat in een e-mail van 5 maart 2024, de dag van het persoonlijk onderhoud, opmerkingen overmaakte aangaande verzoeksters toekomstgerichte vrees op uitsluiting door de (kerk)gemeenschap omwille van haar gezondheidsproblematiek. In het verzoekschrift wordt benadrukt dat verzoekster psychologische problemen heeft en kwetsbaar is bij terugkeer, dat zij stigma en de behandeling door te gemeenschap vreest en dat er een correlatie is tussen het stigma en het niet zoeken naar hulp. Verzoekster verwijst in het verzoekschrift dienaangaande naar het rapport “Mental health stigma and discrimination in Ethiopia: evidence synthesis to inform stigma reduction interventions” van 23 juni 2022, waarin melding wordt gemaakt van zelfstigma, uitsluiting door de maatschappij en een verhoogde kans slachtoffer te worden van geweld.

Ingevolge de niet betwiste ernstige psychologische problemen in hoofde van verzoekster, samengenomen met de informatie in het rapport van 23 juni 2022 over stigma en discriminatie in verband met geestelijke gezondheid in Ethiopië, kan de Raad op basis van de elementen in rechtsplegingsdossier, met inachtneming van de grenzen van een ondervraging ter terechtzitting, zonder bijkomend onderzoek of bijkomende verklaringen van verzoekster niet tot een besluitvorming komen gelet op verzoeksters psychologische toestand als vervolgingsgrond op zich en de eventuele daaruit voortvloeiende nood aan beschermingsmogelijkheden.