Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 320.993 - 31-01-2025

Samenvatting

De vaststelling dat noch verzoeker, noch zijn vrouw oprecht waren over hun huwelijk en gemeenschappelijk kind doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de voorgenomen geaardheid. De Raad stelt dat er redelijkerwijze kan worden verwacht dat verzoekers daarover onmiddellijk en eenduidig verklaringen afleggen aan de Belgische asielinstanties. Dat verzoeker en zijn partner verkozen om valse verklaringen af te leggen ondermijnt aldus de voorgehouden homoseksuele geaardheid.
De Raad stelt vast dat verzoeker geheel in gebreke blijft om zijn motieven concreet te motiveren. Verzoeker komt immers niet verder dan onder meer het louter volharden in zijn homoseksuele geaardheid, het benadrukken dat hij een geslachtsverandering wenst te ondergaan, het verwijzen naar psychologische begeleiding, het bevestigen dat hij een homoseksuele relatie heeft, het hekelen dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar homoseksualiteit in het algemeen en het hernemen dat hij via zijn advocaat heeft toegegeven dat hij loog over zijn echtelijke relatie en kind. Er werd dus terecht besloten tot de ongeloofwaardigheid van de door hem uiteengezette vluchtrelaas.
Hoewel gendertransitie los moet worden behandeld van homoseksualiteit, merkt de Raad op dat verzoekers frauduleuze verklaringen over homoseksualiteit wel degelijk een negatieve weerslag hebben op de geloofwaardigheid van zijn derde beschermingsverzoek. Verzoeker haalt bovendien geen elementen aan die zijn wil om een gendertransitie te ondergaan bevestigen, noch kan dat blijken uit zijn levensloop en handelen.
De vaststelling van de CGVS ingevolge de valse verklaringen van verzoeker waren doorslaggevend voor de toekenning van de vluchtelingenstatus. De Raad bevestigt de intrekking van de vluchtelingenstatus overeenkomst artikel 55/3/1, § 2, 2° Vreemdelingenwet.