Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 321.034 - 31-01-2025

Samenvatting

Aangezien de bepalingen van de wet van 15 december 1980 moeten worden uitgelegd in overeenstemming met de Europese rechtsbepalingen die zij omzetten, blijkt dat wanneer de wederpartij artikel 61/1/3, § 1 toepast, waarmee artikel 20.1 van de Richtlijn wordt omgezet, artikel 61/1/5 niet van toepassing is. Dit artikel komt slechts in aanmerking wanneer gebruik wordt gemaakt van artikel 61/1/3, § 2, dat artikel 20.2 van de Richtlijn omzet.

De wederpartij is derhalve van mening dat het onjuist is dat de verzoekende partij stelt dat zij de aangevoerde uitzonderlijke omstandigheden, als bedoeld in artikel 61/1/5 van de wet, had moeten beoordelen als specifieke omstandigheden.

Uit het voorgaande volgt dat de wederpartij haar beslissing op rechtmatige wijze heeft gemotiveerd door vast te stellen dat de verzoekende partij niet heeft aangetoond dat zij het verzoek bij de diplomatieke post heeft ingediend, dan wel dat zij reeds gemachtigd was om langer dan drie maanden in België te verblijven. Deze uitleg kan echter niet worden aanvaard, aangezien artikel 61/1/5 van de wet betrekking heeft op “Elke weigering van een beslissing” (zoals door de Raad benadrukt) en de verwerende partij de bestreden beslissing zelf als zodanig heeft aangemerkt. Bovendien ontslaan de door de verwerende partij aangehaalde bepalingen haar niet van de formele motiveringsplicht en de verplichting om in te gaan op de argumenten die door de verzoekende partij in haar verblijfaanvraag uitdrukkelijk zijn aangevoerd.