Samenvatting
De Raad merkt op dat het CGVS wees op inconsistente verklaringen inzake de reisweg en het tijdstip van vertrek uit Afghanistan van verzoeker. De Raad benadrukt echter dat de verklaringen die verzoeker als niet-begeleide minderjarige aflegde zonder de aanwezigheid van een voogd bij de registratie van zijn verzoek niet hetzelfde gewicht mogen krijgen als de verklaringen die verzoeker aflegde tijdens de interviews bij het CGVS waar hij werd vergezeld door zijn voogd en advocaat. De niet-begeleide minderjarige verzoeker die een beschermingsverzoek indient zonder de vertegenwoordiging van een voogd bevindt zich immers in een kwetsbaardere positie vanuit procedureel oogpunt in vergelijking met de volgende stappen in de asielprocedure waar de aanwezigheid van een voogd vereist is.
De Raad merkt op dat verzoeker een deel van zijn puberteit in België heeft doorbracht. Die fase is in het bijzonder van belang voor het vormen van een wereldbeeld en het aannemen van waarden en normen, waardoor verzoeker onbewust “westerse” gedragingen en kenmerken eigen kan hebben gemaakt. De Raad is van oordeel dat de kans bijgevolg reëel is dat verzoeker bij terugkeer naar Afghanistan zal opvallen en negatieve aandacht zal trekken van de leden en aanhangers van de taliban.
Op basis van verzoekers profiel, zijn minderjarige leeftijd bij vertrek, de bijgebrachte stukken en de verklaringen op de terechtzitting oordeelt de Raad in de huidige context van Afghanistan onder het talibanregime dat er een gegronde vrees voor vervolging kan worden aangenomen omwille van de politieke overtuiging van verzoeker. De vluchtelingenstatus in de zin van artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet werd bijgevolg toegekend.