Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 322.755 - 3-03-2025

Samenvatting

Verzoeker is vrijgesteld van de visumplicht. Overeenkomstig artikel 6 van de Vreemdelingenwet kan verzoeker binnen zijn kort verblijf van maximaal 90 dagen binnen elke periode van 180 dagen de verblijfsaanvraag op basis van een gezinshereniging indienen krachtens artikel 26/2, §1, 2° van het Vreemdelingenbesluit.

De essentie van de zaak is of verzoeker was toegelaten tot een verblijf van 90 dagen binnen een periode van 180 dagen. De verwerende partij stelt van niet en weigert om die reden de verblijfsaanvraag stellende dat de paspoorten van betrokkenen enkel een onduidelijke stempel op datum van 8 juli 2023 bevatten. Verweerder motiveert voorts dat het onduidelijk is of het hier een inreis- dan wel een uitreisstempel betreft alsook welke landsgrens betrokkenen op deze datum overgestoken zijn en dat de nationale paspoorten geen enkele recente binnenkomststempel van een land dat behoort tot de Schengenzone bevatten.

Het is een niet betwist gegeven dat elk van de paspoorten van A. V., A. E. en A. H. een stempel bevat waarin de datum 8 juli 2023 kan gelezen worden. Verweerder motiveert dat het onduidelijk of het hier een inreis- dan wel een uitreisstempel betreft. Voorts stelt verweerder dat verzoeker geen bijkomende stukken bijbrengt die aantonen dat de stempel van 8 juli 2023 een binnenkomststempel is.

De Raad ziet niet in wat verzoeker meer kan doen dat het voorleggen van zijn paspoort met stempel bij de aanvraag, wat de enige wettelijke vereiste is om de aanvraag te doen behandelen. Het is immers de verwerende partij die de kennis en de mogelijkheid heeft om te achterhalen wat de status van een stempel in een paspoort is. Indien verweerder twijfelt of meergenoemde stempel van 8 juli 2023 een inreis- dan wel een uitreisstempel is, had zij eventueel bijkomende inlichtingen kunnen opvragen. Noch in de beslissing noch in de nota maakt verweerder duidelijk welke stukken verzoeker had moeten bijbrengen.

Door te berusten in de onduidelijkheid met betrekking tot de stempels in de paspoorten schendt de bestreden beslissing artikel 26/2, §1, 2° van het Vreemdelingenbesluit. Het middel is gegrond.