Samenvatting
Het Hof van Justitie heeft zich tot op heden nog niet uitgesproken over het begrip land van vroeger gewoonlijk verblijf en de criteria die moeten gehanteerd worden om te bepalen of een bepaald land als een land van gewoonlijk verblijf kan worden beschouwd voor een staatloze verzoeker om internationale bescherming.
Verzoekster betwist de kwalificatie van Turkije als land van gewoonlijk verblijf in de individuele omstandigheden van verzoekster. Zoals reeds aangehaald wordt in de bestreden beslissing gesteld dat om te bepalen of een verzoeker zijn gewone verblijfplaats heeft gehad in een welbepaald land, het CGVS rekening houdt met het geheel van feitelijke omstandigheden die een duurzame band met dat land aantonen. Daarbij wordt overwogen dat niet vereist is dat de verzoeker een juridische band heeft met het land of er op legale wijze verbleven heeft en dat het feit dat een verzoeker geruime tijd in het land verbleven heeft, en een werkelijke en bestendige of duurzame band met het land van verblijf heeft gekend wel een belangrijk criterium is voor het bepalen van het land van gewoonlijk verblijf.
Uit haar verklaringen tijdens het persoonlijk onderhoud en terechtzitting blijkt dat verzoekster voor het eerst naar Turkije reisde met een toeristenvisum in 2019 en tussen 2019 en november 2023 regelmatig heen en weer reisde tussen Turkije en Koeweit. Zij verklaart dat zij er nooit een werkvergunning verkreeg en er weliswaar als freelancer in de toerisme- en immobiliënsector werkte maar dat zij er nooit in slaagde op legale wijze te werken in Turkije. Verzoekster voert in het verzoekschrift aan dat zij er in precaire mensonwaardige levensomstandigheden leefde maar uit de notities van het persoonlijk onderhoud kan niet blijken dat zij hierover werd bevraagd. Zij verklaarde wel dat “Ik heb niemand en niets in Turkije. Vier jaar heb ik geprobeerd om te werken en te leven en dat is me niet gelukt. Ook de CGK (medische verzekering) heb ik niet. Als ik zou werken op illegale wijze dan zou de verantwoordelijkheid op mij vallen en ik wil niet illegaal werken. In Turkije noemen ze mij Jabanji [vreemdeling] op elke vijf Turken kunnen ze een vreemdeling tewerk stellen” (NPO, p. 12). Anderzijds verklaarde verzoekster zelf dat zij regelmatig heen en weer reisde tussen Turkije en Koeweit onder meer in het kader van haar eerste echtscheidingsprocedure, zodat in elk geval blijkt dat zij in die periode over voldoende financiële middelen beschikte om te reizen (NPO, p. 11). Er dient evenwel ook te worden vastgesteld, zoals terecht opgemerkt in het verzoekschrift, dat haar verder geen vragen werden gesteld over haar specifieke levensomstandigheden in Turkije. Evenmin werd haar gevraagd hoe zij zonder werkvergunning en enkel een toeristenvisum toch freelance werk kon verrichten in Turkije en of dit op al dan niet legale wijze gebeurde. Het administratief dossier bevat verder geen objectieve informatie met de betrekking tot de Turkse wetgeving inzake de verblijfs- en arbeidswetgeving die van toepassing is op niet-Turkse onderdanen en de situatie van personen van Palestijnse origine, zoals verzoekster, of deze personen in Turkije als staatlozen worden beschouwd en de implicaties hiervan op verzoeksters toegang tot de arbeidsmarkt, sociale zekerheid, gezondheidszorg en huisvesting. Wel dient te worden vastgesteld dat met betrekking tot haar verblijf in Turkije zij verklaarde enkel een toeristenvisum te hebben gehad en er verder geen documenten voorliggen waaruit zou kunnen blijken dat gedurende de periodes dat zij in Turkije verbleef zij dit visum kon omzetten in een tijdelijke of permanente verblijfsvergunning of dat er sprake was van een duurzaam verblijf. In de bestreden beslissing wordt bovendien erkend dat zij heden geen legaal verblijf in Turkije heeft en ook niet naar dit land kan terugkeren. Het blijkens de bestreden beslissing door de commissaris-generaal gehanteerde criterium om te bepalen of een verzoeker zijn of haar gewone verblijfplaats heeft gehad in een welbepaald land, met name het feit dat “een verzoeker geruime tijd in een land verbleven heeft, en een werkelijke of bestendige of duurzame band met het land van verblijf heeft gekend”, lijkt in het geval van verzoekster niet vervuld, minstens wordt dergelijke conclusie niet ondersteund door de verklaringen van verzoekster over haar verblijf in Turkije, en de documenten die voorliggen. Zo uit haar verklaringen kan worden afgeleid dat zij gedurende ongeveer vier jaar gedurende bepaalde periodes afwisselend in Koeweit en Turkije verbleef en zij in die periode op basis van de borgstelling van haar (ex-)echtgenoot naar Koeweit kon reizen en op basis van een toeristenvisum kon terugreizen naar Turkije, kan uit dit alles niet blijken dat zij een “werkelijke en bestendige of duurzame band met het land van gewoonlijk verblijf heeft gekend”, wat volgens de bestreden beslissing een noodzakelijke voorwaarde zou zijn om Turkije als een land van gewoonlijk verblijf voor verzoekster te kwalificeren. In de huidige stand van zaken kan gelet op het voorgaande en op basis van de gegevens die voorliggen de stelling van de commissaris-generaal dat Turkije moet worden beschouwd als een land van gewoonlijk verblijf voor verzoekster niet worden bijgetreden.
In het verzoekschrift wordt als dusdanig niet betwist dat Koeweit het land van verzoeksters gewoonlijkverblijf is geweest en wordt erkend dat zij in de periode voorafgaand aan en tijdens haar huwelijk haar leven vorm kon geven zoals zij dat wilde en zij steeds haar eigen keuzes heeft kunnen maken. Dit blijkt ook uit haar verklaringen en de door haar neergelegde documenten waaruit blijkt dat zij geboren is in Koeweit, er een opleiding journalistiek kon volgen en ook heeft gewerkt bij een krant in Koeweit. Zij betwist evenwel dat zij na haar huwelijk nog steeds haar leven vorm kon geven zoals zij dat zelf wilde. Haar betoog komt erop neer dat zij na de scheiding in april 2019 en nadat zij uit noodzaak instemde met een tweede huwelijk eind 2022 met dezelfde Koeweiti man door de borgstelling van haar (ex-)echtgenoot volledig in zijn macht was en in zijn greep bleef tot haar definitieve vertrek uit Koeweit. Zij wijst erop dat zij in ruil voor zijn borgstelling afstand moest doen van haar bruidsschat en andere materiële zaken zoals de wagen en moest afzien van haar eisen in de strafzaak tegen hem. Verzoekster betoogt verder dat zij vandaag niet kan terugkeren naar Koeweit omwille van het gebrek aan enig verblijfsrecht in dit land en de voorwaarde van een borgstelling. Zij wijst erop dat zij in tegenstelling tot de voorhuwelijkse en huwelijkse periode voor het eerst een vreemde borgsteller zou moeten zoeken zonder enige vorm van zekerheid over de manier waarop deze nieuw borg, als zij er al één vindt, haar zal behandelen of nog over welke gunsten deze zal vragen om de borgstelling niet te verliezen. Verzoekster stelt dat zij in haar situatie niet onder de begunstigden van de “gunstige” hervormingen van het kafala-systeem ressorteert waarnaar in de bestreden beslissing verwezen wordt. Zij betoogt eveneens dat de commissaris-generaal ten onrechte meent dat de problemen met haar echtgenoot buiten de analyse van de beoordeling van de beschermingsnood staan en dat de problemen met de ex-echtgenoot precies de oorzaak en bron zijn van alle verdere problemen achteraf.
Het is een algemeen principe dat bij de beoordeling van de vluchtelingenstatus de ‘vrees voor vervolging’ (artikel 48/3, § 5 van de Vreemdelingenwet) een toekomstgericht onderzoek vereist. Bescherming dient niet alleen te worden geboden aan personen die reeds werden vervolgd, maar ook aan de personen die het risico lopen te zullen worden vervolgd. Het Hof van Justitie wees erop dat “In dit verband moet worden vastgesteld dat in het stelsel van de richtlijn de bevoegde autoriteiten, wanneer zij overeenkomstig artikel 2, sub c, van de richtlijn beoordelen of een verzoeker een gegronde vrees heeft te worden vervolgd, zich ervan vergewissen of de gebleken omstandigheden een zodanige bedreiging voor de betrokkene vormen dat hij een gegronde vrees heeft om, gelet op zijn persoonlijke situatie, daadwerkelijk te worden vervolgd. (eigen onderlijning)”, (HvJ, 5 september 2012, Bundesrepublik Deutschland tegen Y en Z, gevoegde zaken C-71/11 en C-99/11, punt 76).
Het begrip ‘politieke overtuiging’ houdt verder onder meer in dat de verzoeker een opvatting, gedachte of mening heeft betreffende een aangelegenheid die verband houdt met potentiële actoren van vervolging en hun beleid of methoden, zonder dat de verzoeker zich in zijn handelen noodzakelijkerwijs door deze overtuigingen, gedachten of meningen moet hebben laten leiden (artikel 48/3 § 4, e) van de Vreemdelingenwet). Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat het begrip ‘politieke overtuiging’ ruim moet worden uitgelegd en, geïnterpreteerd in het licht van artikel 11 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, elke opvatting, gedachte of mening omvat die, zonder noodzakelijkerwijs rechtstreeks en onmiddellijk politiek van aard te zijn, tot uiting komt in een handelen of nalaten dat door actoren van vervolging zo wordt opgevat dat het ziet op een aangelegenheid die verband houdt met die actoren of hun beleid en/of hun methoden en een uiting van oppositie of verzet daartegen vormt. De nadruk wordt gelegd op de perceptie van de politieke aard ervan door de actoren van vervolging en niet op de persoonlijke motieven van de verzoeker (HvJ, C-280/21, Migracijos departamentas, 12 januari 2023, punten 26, 32).
Verzoekster verwijst tijdens het persoonlijk onderhoud een aantal keren naar haar leven in Koeweit als een vorm van slavernij. Zo stelt zij, gevraagd of er, behalve het feit dat zij geen job, woning en sponsor kon vinden in Koeweit nog andere redenen zijn dat zij Koeweit verlaten heeft “Eigenlijk leven we in Koeweit met de voorwaarde dat we een Kafir hebben, dat is te vergelijken met slavernij en dat kan je moeilijk verdragen” en “Dat ik geen andere Kafir heb gevonden. (…) Mijn vader heeft heel zijn leven in Koeweit gedaan, vanaf 79. Tot de dag van vandaag heeft hij een verblijfsrecht van een jaar, max twee jaar. Wat zijn mensenrechten dan, is dat gerechtigheid? Mensenrechten hebben we daar niet”. Gevraagd wat zij vreest als zij zou terugkeren naar Koeweit verklaart verzoekster: “Hoe kan ik zo een leven aanvaarden als slavin van een Kafir. Dat is geen mensenrecht, dat is geen respect. Ik kan dat niet meer aan daar” (NPO, p. 12). Zij verklaart verder dat zij het diploma “Journalistiek en Informatie” behaalde als hoogst genoten opleiding, dat het om een bachelor gaat die zij in negen maanden heeft gehaald toen zij 28 jaar was en dat “ik was aan het werken bij een krant A. N. en ik heb die moeten verlaten omdat mijn ex tot bij de redactie is gekomen en heeft voor problemen gezorgd en dan heb ik mijn werk moeten verlaten” (NPO, p. 10). Verzoekster verklaart verder, gevraagd of zij nog in Koeweit heeft gewerkt, toen zij van Turkije terugkwam naar Koeweit: “Nee. Ik had gehoopt op mijn ex dat hij mij zou helpen om aan een job te komen, want alles wordt gereserveerd voor Koeweiti, maar hij zei nee, blijf maar thuis” (NPO, p. 10). Zij verklaart verder dat zij “verschillende kanalen of redacties mijn CV gestuurd en geweest, maar ze zeggen dat de voorrang gaat naar Koeweiti en de tweede de staatlozen zijn” (NPO, p. 10). In de bestreden beslissing wordt erop gewezen dat zij geen stukken voorlegt met betrekking tot sollicitaties die zij nog heeft gedaan. Ook in het verzoekschrift worden geen stukken voorgelegd met betrekking tot haar verklaringen over sollicitaties die zij nog zou hebben gedaan na haar terugkeer naar Koeweit. De aan het verzoekschrift gehechte documenten met betrekking tot sollicitaties hebben immers enkel betrekking op sollicitaties van verzoekster in Turkije en niet in Koeweit. Evenwel kan niet worden voorbijgegaan aan het gegeven dat niet betwist is dat zij in het kafala-systeem niet kon werken zonder borgstelling en dat niet wordt betwist dat verzoeksters ex-echtgenoot haar borgsteller in Koeweit was en formeel weliswaar als werkneemster van zijn bedrijf was ingeschreven maar ook dat hij deze borgstelling introk, ook al wordt erop gewezen dat het desbetreffende document niet gedateerd is. Voorts dient ook te worden vastgesteld dat verzoekster geen verdere vragen werden gesteld over haar verklaring dat zij bij de krant A.N. werkte maar dat zij deze moest verlaten omdat haar ex naar de redactie kwam en voor problemen zorgde. In de bestreden beslissing wordt verder niet betwist dat verzoekster bij deze krant diende te stoppen omdat haar ex-echtgenoot hiertegen was, noch dat hij niet wilde dat zij na haar terugkeer naar Koeweit nog zou werken.
Gelet op de borgstelling door haar ex-echtgenoot in het kader van het kafala-systeem en haar niet-betwiste verklaringen dat zij door tussenkomst van haar ex-echtgenoot haar werk bij de krant A.N moest stopzetten en hij na haar terugkeer naar Koeweit niet wilde dat zij nog zou werken, kan geenszins worden bijgetreden dat het feit dat zij haar job diende te verlaten als gevolg van haar huwelijksproblemen met haar man los staat van de analyse over haar leven onder het kafala-systeem in Koeweit waaruit blijkt dat zij er een opleiding kon volgen en er werkte in het verleden, zoals in de bestreden beslissing wordt gesteld. Zoals terecht opgeworpen door verzoekster lijken de problemen om werk te vinden die zij kende voor en na haar terugkeer naar Koeweit wel degelijk verband te houden met haar huwelijksproblemen en de twee echtscheidingen waarvan zij ook documenten neerlegt. In zoverre in de bestreden beslissing wordt gesteld dat zij tussen haar achttiende en haar vertrek naar Turkije in staat was om in Koeweit haar leven vorm te geven zoals zij dat wilde en haar eigen keuzes kon maken, blijkt uit haar verklaringen dat dit volgens verzoekster niet langer het geval was na haar terugkeer naar Koeweit. De Raad stelt vast dat zij geen stukken voorlegt met betrekking tot de volgens haar vruchteloze sollicitatiepogingen in Koeweit die zij aanhaalde en de discriminatie die zij erbij ervaarde, maar dit kan in de huidige stand van zaken en gelet op wat hierna wordt uiteengezet met betrekking tot de landeninformatie waarnaar de commissaris-generaal verwijst met betrekking tot het kafala-systeem niet volstaan om te besluiten dat haar verklaringen hierover niet geloofwaardig zouden zijn, en evenmin om te bevestigen dat haar individuele situatie als vrouw van Palestijnse origine zonder borgsteller, verblijfs- en werkvergunning in Koeweit niet zou kunnen gelijkgesteld worden met vervolging.
De Raad herinnert er vooreerst aan dat het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat in het kader van de samenwerkingsverplichting die rust op de autoriteiten krachtens artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn, deze autoriteiten actief met de verzoeker moeten samenwerken om de relevante elementen van het verzoek te bepalen en aan te vullen, dat de beslissingsautoriteit de verzoeken naar behoren dient te behandelen alvorens hierover een beslissing te nemen en dat de beoordeling van de nood aan internationale bescherming “in alle gevallen met oplettendheid en voorzichtigheid [moet] worden uitgevoerd, aangezien de integriteit van de mens en de individuele vrijheden – fundamentele waarden van de Unie – in het geding zijn”.
Het Hof heeft daarbij opnieuw benadrukt dat de samenwerkingsplicht “inhoudt dat de beslissingsautoriteit, in casu het IPO, de verzoeken niet naar behoren kan behandelen en bijgevolg een verzoek niet ongegrond kan verklaren zonder op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen rekening te houden met, ten eerste, alle relevante feiten betreffende de algemene situatie in het land van herkomst en, ten tweede, alle relevante elementen die verband houden met de individuele status en de persoonlijke situatie van de verzoeker.” Het Hof preciseerde dat wat de relevante feiten betreffende de algemene situatie in het land van herkomst betreft, de lidstaten “ervoor moeten zorgen dat er nauwkeurige en actuele informatie wordt verzameld over de algemene situatie in de landen van herkomst van asielzoekers en, waar nodig, in de landen van doorreis (arrest van 22 november 2012, M., C-277/11, EU:C:2012:744, punt 67)” (HvJ, C-756/21, X tegen International Protection Appeals Tribunal, Minister for Justice and Equality, Ierland, Attorney General, 29 juni 2023, punten 48-50 en 54-55).
De Raad dient vast te stellen dat de beschikbare landeninformatie in het rechtsplegingsdossier met betrekking tot verzoeksters land van gewoonlijk verblijf, Koeweit, te beperkt en te weinig specifiek is om verzoeksters vrees voor vervolging omwille van de behandeling die zij als jonge, tweemaal gescheiden vrouw van Palestijnse origine heeft ondergaan of te wachten zal staan onder meer als gevolg van het kafala-systeem, op voldoende nauwkeurige wijze te beoordelen.
(…)
In de bestreden beslissing wordt gesteld dat uit de beschikbare informatie blijkt dat de hervormingen in Koeweit, zoals het feit dat het eenvoudiger is geworden om van job te veranderen voor een buitenlandse werknemer, dat universitair geschoolde werknemers zichzelf kunnen sponsoren en dat een werknemer zonder de toestemming van zijn of haar sponsor het land kan verlaten en terugkeren, worden toegejuicht maar dit niet voldoende is om een einde te maken aan de precaire situatie waarin veel buitenlandse werknemers in Koeweit verkeren, met name zij die laagbetaalde banen hebben en afhankelijk zijn van hun werkgever voor huisvesting, voedsel en transport, zoals huishoudelijk personeel. Er wordt ook gesteld dat verzoekster niet tot deze bijzonder kwetsbare categorie van werknemers behoort en niet kan blijken dat de impact van de kafala op haar levensomstandigheden zodanig was dat zij niet in staat was om in haar meest elementaire behoeften te voorzien.
Vooreerst dient te worden vastgesteld dat uit de beschikbare landeninformatie enkel kan blijken dat in 2012 in Koeweit een voorstel werd gedaan waarbij personen die een universiteitsdiploma hebben behaald zichzelf zouden kunnen sponsoren, maar dat verder geen informatie voorligt waaruit kan blijken dat dit voorstel later ook daadwerkelijk werd aangenomen of dat dit heden van kracht zou zijn en dat personen van Palestijnse origine zoals verzoekster deze mogelijkheid zouden (gehad) hebben voor haar vertrek uit Koeweit. Voorts bevat de landeninformatie wat Koeweit betreft voornamelijk informatie over de precaire situatie van huishoudpersoneel onder het kafala-systeem, maar anderzijds wordt ook melding gemaakt van het feit dat bijna alle buitenlandse werknemers in landen waar het kafala-systeem wordt gehanteerd onder dit systeem vallen ongeacht nationaliteit, economische klasse en beroep en dat het systeem als moderne slavernij wordt omschreven.
Er kan uit de beschikbare informatie niet zonder meer worden afgeleid dat verzoekster in Koeweit als vrouw van Palestijnse origine zonder verblijfsvergunning of sponsor geen discriminatie riskeert die met vervolging kan worden gelijkgesteld of dat zij niet aan dergelijke behandeling in het verleden werd onderworpen door haar ex-echtgenoot na haar scheiding in april 2024. Verzoekster verklaarde dat haar man na haar terugkeer naar Koeweit haar verbood om te werken en dat bij sollicitaties de voorkeur wordt gegeven aan Koeweiti en dat staatlozen “de tweede” zijn (NPO, p. 10). Bij gebrek aan enige objectieve informatie met betrekking tot de rechten en behandeling in de praktijk van vrouwen van Palestijnse origine die een hogere opleiding hebben genoten onder het kafala-systeem in Koeweit en de juridische en praktische implicaties voor vrouwen van een (dubbele) echtscheiding van een Koeweiti man in Koeweit, kunnen dergelijke verklaringen niet getoetst worden aan objectieve landeninformatie, noch kan worden onderzocht en beoordeeld of op grond van verzoeksters profiel na haar scheiding in april 2024, waarbij zij volledig afhankelijk was van haar ex-echtgenoot als borgsteller niet alleen wat betreft haar verblijfsvergunning maar ook haar toegang tot de arbeidsmarkt samen genomen met haar verzet tegen het kafala-systeem, waaruit een politieke overtuiging blijkt, een gegronde vrees voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin of een reëel risico op het lijden van ernstige schade in de zin van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet in hoofde van verzoekster kan worden aangenomen in het licht van de hoger aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie.
Uit het geheel van de verklaringen van verzoekster blijkt dat zij Koeweit heeft verlaten onder meer omwille van het kafala-systeem en de problemen die hiermee gepaard gaan, waaronder het gegeven dat zij volledig afhankelijk was van haar ex-echtgenoot wat betreft haar verblijfs- en werkvergunning. In het kader van de beoordeling van de nood aan internationale bescherming en een toekomstgerichte beoordeling dient verder te worden onderzocht of, indien verzoekster opnieuw beroep zou moeten doen op dit kafala-systeem in Koeweit, dit systeem een risico op vervolging of ernstige schade inhoudt. Zoals hierboven aangegeven wordt in de landeninformatie die door de commissaris-generaal wordt geciteerd, dit systeem immers door verschillende bronnen als een moderne vorm van slavernij beschouwd.
De argumenten in de verweernota van de commissaris-generaal, die niet verschijnt noch vertegenwoordigd is ter terechtzitting, en die enkel betrekking hebben op verzoeksters grieven met betrekking tot haar kwetsbaar profiel en de impact van het feit dat het persoonlijk onderhoud via videoconferentie werd georganiseerd en de motivering inzake de toepassing van artikel 1, D van het Vluchtelingenverdrag, kunnen geen ander licht werpen op het voorgaande.
Op basis van de elementen in het rechtsplegingsdossier kan de Raad, met inachtneming van de grenzen van een ondervraging ter terechtzitting en gelet op het ontbreken van verdere onderzoeksbevoegdheid, in deze stand van zaken het beschermingsverzoek van verzoekster niet op nuttige wijze evalueren in het kader van een devolutief beroep.
Het ontbreekt de Raad aldus aan essentiële elementen om te komen tot de in artikel 39/2, § 1, tweede lid, 1° van de Vreemdelingenwet bedoelde bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen.