Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 323.215 - 12-03-2025

Samenvatting

In het verzoekschrift betoogt verzoekster vooreerst dat zij niet inziet welk belang zij zou hebben bij het achterhouden van haar paspoort en dat, gezien het feit dat zij wel eerlijk vertelde waar zij overal om internationale bescherming had verzocht, het verwonderlijk zou zijn dat zij haar paspoort zou achterhouden. Dat verzoekster eerlijk was over waar zij al om internationale bescherming verzocht, doet op generlei wijze afbreuk aan de voormelde pertinente overwegingen op basis waarvan terecht besloten wordt dat deze doen vermoeden dat verzoekster haar paspoort achterhoudt en dit omdat er hier mogelijks informatie in staat die niet overeenstemt met de verklaringen die zij tijdens haar persoonlijk onderhoud afgelegde inzake haar terugkeer naar Noord-Macedonië na de afwijzing van haar tweede beschermingsverzoek in Duitsland. Zij onderneemt verder niet de minste poging om de overige pertinente overwegingen van de bestreden beslissing inzake de ongeloofwaardigheid van haar terugkeer naar Noord-Macedonië na de afwijzing van haar tweede beschermingsverzoek in Duitsland in een ander daglicht te plaatsen.

Verder benadrukt de Raad dat het feit dat de verklaringen, die verzoekster aflegde in Duitsland, op essentiële punten tegenstrijdig zijn met de verklaringen die zij aflegde in België, wat ernstig afbreuk doet aan deze laatste verklaringen. In deze merkt de Raad op dat het niet verboden is dat, in het kader van een verzoek om internationale bescherming, uitspraak wordt gedaan op basis van gegevens die in het kader van het verzoek om internationale bescherming in een EU-land bekend waren, noch is het verboden om de verklaringen, afgelegd in het kader van beide procedures, te vergelijken. Dergelijke informatie betreft immers “specifieke informatie” conform artikel 48/6, § 4, c), van de Vreemdelingenwet. Voorts dient opgemerkt te worden dat verzoekster tijdens de administratieve procedure een verklaring betreffende vragen om inlichtingen ondertekend heeft waarin zij verklaart de Belgische autoriteiten toelating te geven om inlichtingen in te winnen in andere landen en vooral na te gaan of zij al dan niet aldaar reeds een verzoek tot internationale bescherming indiende en om, indien zulks het geval is, haar originele identiteits- en reisdocumenten en originele aktes van burgerlijke stand alsmede de inhoud van documenten, verhoorverslagen en eventuele beslissing(en) van haar aanvraag te laten overmaken. De commissaris-generaal nam aldus terecht de verklaringen die verzoekster in Duitsland aflegde in overweging. Door deze te vergelijken met de verklaringen die zij aflegde in België, hield de commissaris-generaal bijgevolg ook wel degelijk rekening met verzoeksters verklaringen, zoals afgelegd in België. Bovendien kan in dit verband worden vastgesteld dat de verwerende partij haar beslissing niet louter baseerde op tegenstrijdigheden tussen verzoeksters verklaringen in Duitsland en België, maar ook op andere overwegingen (zie supra en infra). Dat verzoekster haar verklaringen in Duitsland niet kon nalezen, is een louter blote bewering. Het gaat overigens ook niet om details van verklaringen maar om verklaringen over haar levensverloop en het asielrelaas als dusdanig. Hoe dan ook kan verzoekster het onderhavige beroep niet aanwenden als een beroep inzake de procedure tot het bekomen van internationale bescherming die zij in Duitsland doorliep. Waar verzoekster tot slot oppert dat zij bij het commissariaat-generaal geenszins geconfronteerd werd met de verklaringen die zij in Duitsland aflegde en zij hier aldus niet op kon reageren, wijst de Raad op de inhoud van artikel 17, § 2, van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (hierna: het koninklijk besluit van 11 juli 2003): “Indien de ambtenaar tijdens het gehoor tegenstrijdigheden vaststelt in de verklaringen van de asielzoeker of vaststelt dat er relevante elementen ter staving van de asielaanvraag ontbreken, stelt hij de asielzoeker in de loop van het gehoor in de gelegenheid om hier uitleg over te geven”. Dit artikel werd ingevoegd door artikel 11 van het koninklijk besluit van 27 juni 2018 tot wijziging van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen. In het verslag aan de Koning bij dit koninklijk besluit wordt uitdrukkelijk gesteld dat alleen de tegenstrijdigheden die de ambtenaar tijdens het gehoor zelf vaststelt aan de asielzoeker dienen voorgelegd te worden zodat hij de kans krijgt zijn verklaringen te verduidelijken, dat het vaststellen van tegenstrijdigheden tijdens het gehoor zelf niet steeds mogelijk is en de ambtenaar daarom niet verplicht is om de asielzoeker op te roepen voor een nieuw gehoor ten einde hem te confronteren met tegenstrijdigheden die slechts later aan het licht zijn gekomen. Dit artikel belet de commissaris-generaal overigens niet om een beslissing te nemen op grond van een tegenstrijdigheid of op grond van de vaststelling dat een relevant element ter staving van de aanvraag ontbreekt en waarmee de asielzoeker niet geconfronteerd werd, zoals in casu. Bovendien heeft verzoekster door middel van de bestreden beslissing kennis genomen van de verschillende vastgestelde tegenstrijdigheden tussen haar verklaringen in Duitsland en België en door het instellen van een beroep met volle rechtsmacht voor de Raad de mogelijkheid gehad om erop te reageren, hetgeen zij ook heeft gedaan, zodat het uiteindelijke doel van voormeld artikel 17, § 2, van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 werd bereikt.