Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 323.585 - 19-03-2025

Samenvatting

De Raad stelt in eerste instantie vast dat de werkwijze van de verwerende partij bij het onderzoeken van deze vrees niet zorgvuldig en afdoende voorkomt.

Uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker reeds op 11 oktober 2020 een verzoek om internationale bescherming indiende. Hij werd op 15 februari 2021 gehoord bij het commissariaat-generaal, zijnde dus voor het uitbreken van de oorlog. De bestreden beslissing werd pas genomen op 30 augustus 2024, drie en een half jaar na het persoonlijk onderhoud.

De commissaris-generaal erkent in de bestreden beslissing dat de inval door Rusland in Oekraïne op 24 februari 2022 een impact kan hebben gehad op de persoonlijke situatie van verzoeker.

In dit verband stelt de verwerende partij enerzijds – onder verwijzing naar artikel 48/6, § 1, van de Vreemdelingenwet en artikel 17 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 – dat indien het conflict (lees: oorlog) tot gevolg heeft dat verzoekers individuele situatie dermate gewijzigd is dat hij hierdoor een nood aan internationale bescherming heeft, er redelijkerwijze van hem kan verwacht worden dat hij zelf zo spoedig mogelijk de relevante elementen ter staving hiervan zou overmaken aan de commissaris-generaal, maar dat verzoeker sinds (het uitbreken van) de oorlog geen enkel concreet element heeft meegedeeld. Verder haalt zij aan dat zij tevens heeft onderzocht of er, na onderzoek van de nieuwe situatie in Rusland en op basis van het geheel van de elementen en de vaststellingen in verzoekers dossier, indicaties zijn van elementen die een impact zouden hebben op verzoekers persoonlijke situatie, maar dat zij tot de vaststelling kwam dat er geen zulke indicaties in zijn hoofde aanwezig zijn. Wat dit laatste betreft, maakt de verwerende partij deze gevolgtrekking zonder ook maar de minste bijkomende verduidelijking, laat staan enige bronvermelding. Waar de verwerende partij in haar nota d.d. 21 oktober 2024 stelt dat verzoeker in zijn verzoekschrift verwijst naar de COI Focus “Russische Federatie – legerdienst, contractsoldaten en mobilisatie” van 24 oktober 2023 om de gevolgtrekkingen van de commissaris-generaal hieromtrent om te keren, wijst de Raad er in deze op dat in de bestreden beslissing door de verwerende partij geenszins verwezen wordt naar deze COI Focus, noch is deze bij het administratief dossier gevoegd, laat staan dat zij hierover gevolgtrekkingen maakt. In het licht hiervan meende zij tevens dat het niet nodig was om verzoeker opnieuw te horen en dat zij een duidelijk zicht heeft op alle relevante aspecten in het licht van “de machtsovername” en zijn persoonlijke situatie en profiel. Het is pas naar aanleiding van onderhavige beroepsprocedure dat de verwerende partij, in haar nota van 21 oktober 2024, als antwoord op het verzoekschrift, enige toelichting geeft waarom zij van mening is dat er in hoofde van verzoeker geen sprake kan zijn van een gegronde vrees bij terugkeer in het licht van de gewijzigde situatie in zijn land van herkomst sinds hij bij het commissariaat-generaal gehoord werd.

Uit de verwijzing in de bestreden beslissing naar “de machtsovername”, dat duidelijk geen betrekking heeft op de gewijzigde situatie in Rusland, blijkt dat de verwerende partij deze redenering heeft overgenomen uit haar beslissingen inzake verzoekers om internationale bescherming uit een ander land waar er zich wel een machtsovername voordeed. In deze wenst de Raad te benadrukken dat de inval door Rusland in Oekraïne op 24 februari 2022, en de daarmee gepaard gaande mobilisatie in Rusland van september 2022, algemeen bekende feiten zijn. Een vrees voor Russische mannen van dienstplichtige leeftijd om in dit kader al dan niet officieel gemobiliseerd te worden, los van de vraag of deze gegrond is, is direct gelinkt aan deze situatie, zonder dat hier veel verduidelijking voor nodig is.

Gelet op het voorgaande, in samenhang gezien met het gestelde onder punt 3.3.2. inzake de samenwerkingsplicht, oordeelt de Raad dat de werkwijze van de verwerende partij, waarbij zonder enige inhoudelijke verduidelijking – behoudens het gestelde dat verzoeker zelf geen contact opnam met de commissaris-generaal over zijn vrees in dit verband – in de bestreden beslissing wordt gesteld dat er geen elementen kunnen worden afgeleid dat de gewijzigde situatie sinds de inval van Rusland in Oekraïne een nood aan internationale bescherming doet ontstaan in verzoekers hoofde niet zorgvuldig, noch afdoende voorkomt. Zo werd verzoeker omwille van deze redenen niet meer werd gehoord na de inval van Rusland in Oekraïne en werd pas in het kader van de onderhavige beroepsprocedure voor het eerst enige verduidelijking gegeven waarom verzoeker, specifiek om gemobiliseerd te worden, geen gegronde vrees heeft bij terugkeer naar Rusland.