Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 324.015 - 26-03-2025

Samenvatting

De Raad stelt vast dat verzoekers verklaren dat verzoeker sinds 2012 lid is van de oppositiepartij Nationale Beweging en ook sinds dan als coördinator activiteiten voor deze partij uitvoerde. Concreet verklaarde hij dat hij onder meer toezicht hield tijdens de verkiezingen, bijeenkomsten organiseerde voor kiezers en gesprekken met hen had, vergaderingen bijwoonde omtrent acties en protestacties hielp organiseren (administratief dossier, notities persoonlijk onderhoud verzoeker, p. 4-5). Tijdens de administratieve procedure van hun beschermingsverzoeken legde verzoeker een brief neer van de partij Nationale Beweging die verzoekers lidmaatschap en zijn engagement voor de partij tijdens de verkiezingen van 2017-2020 en 2021 bevestigt. De commissaris-generaal stelt in dit verband in de bestreden beslissingen dat het gegeven dat verzoekers enkel dit stuk neerleggen ter staving van verzoekers politiek profiel “de wenkbrauwen doet fronsen”.

De Raad oordeelt in deze dat er niet kan worden besloten tot de ongeloofwaardigheid van verzoekers politieke activiteiten, louter op basis van het niet voorhanden zijn van stukken ter staving hiervan. In het geval van verzoeker ligt er bovendien wel degelijk een stuk voor dat (minstens) een (begin van) bewijs vormt van (zeker een deel van) zijn activiteiten voor de partij Nationale Beweging. Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn politieke activiteiten moet ook rekening worden gehouden met de verklaringen die verzoekers in dit verband afleggen.

Verder zijn de commissaris-generaal en verzoekers het niet eens over de omvang van het politiek profiel van verzoeker. Waar de commissaris-generaal meent dat verzoeker een laaggeplaatste opposant is, zijn verzoekers van oordeel dat verzoeker een hooggeplaatste opposant is.

In deze wijst de Raad naar volgende relevante passage uit de meest recente COI Focus, zijnde de COI Focus “Georgië algemene situatie” van 12 februari 2025 (p. 40) die de verwerende partij bij haar aanvullende nota van 21 februari 2025 bijbracht: “Onder de noemer lage politieke profielen waarnaar Cedoca in dit hoofdstuk verwijst, vallen onder andere aanhangers en sympathisanten van oppositiepartijen, stemmenronselaars en campagnevoerders tijdens verkiezingen, deelnemers aan protestacties en laaggeplaatste regeringscritici. Organisatoren van protestacties, kandidaten voor oppositiepartijen, vooraanstaande activisten en prominente regeringscritici worden niet beschouwd als lage politieke profielen, maar contactpersonen verwijzen wel regelmatig naar hun situatie om de context te schetsen.”. Een gelijkaardige paragraaf kan worden teruggevonden in de COI Focus van 16 januari 2023, waarnaar in de bestreden beslissingen wordt verwezen (COI Focus “Georgië – algemene situatie” van 16 januari 2023, p. 27).

Bovendien merkt de Raad te dezen op dat Georgië, ofschoon ten tijde van het nemen van de bestreden beslissingen, die dateren van 27 juni 2023, nog een veilig land van herkomst was, op heden niet meer is opgenomen in de lijst van veilige landen. Het koninklijk besluit van 7 april 2023 ter vastlegging van de lijst van veilige landen van herkomst waarop Georgië niet langer werd opgenomen werd bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 10 juli 2023, datum van inwerkingtreding, zodat ten tijde van de bestreden beslissingen genoegzaam diende te worden uitgegaan van Georgië als veilig land van herkomst. Georgië werd overigens opnieuw niet opgenomen op de lijst van veilige landen in het recentste koninklijk besluit van 12 mei 2024 tot uitvoering van het artikel 57/6/1, § 3, vierde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, houdende de vastlegging van de lijst van veilige landen van herkomst (BS 27 mei 2024). Dat Georgië niet langer als een veilig land van herkomst beschouwd wordt, heeft, in het kader van een ex nunc-beoordeling van de nood aan internationale bescherming van verzoekers, tot gevolg dat het (weerlegbaar) vermoeden, dat bij personen afkomstig uit een veilig land van herkomst geen vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade aanwezig is, niet langer op hen van toepassing is. Uit de notities van de persoonlijke onderhouden bij het commissariaat-generaal blijkt duidelijk dat de commissaris-generaal zich beroepen heeft op voormeld (weerlegbaar) vermoeden in het onderzoek naar het politiek profiel van verzoeker om na te gaan of verzoekers hierdoor nood hadden aan internationale bescherming. De vraagstelling dienaangaande was blijkens de lezing van de notities van de persoonlijke onderhouden immers uitermate beperkt. Zo werden verzoekers, en voornamelijk verzoeker zelf, nauwelijks bevraagd over wat zijn door hem aangehaalde activiteiten voor Nationale Beweging concreet inhielden, hetgeen – zeker gelet op de voormelde vaststellingen – cruciaal is om te kunnen oordelen over de geloofwaardigheid en/of omvang van verzoekers politiek profiel. Gelet op het gegeven dat voormeld vermoeden op heden niet langer speelt, volstaat deze bevraging tijdens de persoonlijke onderhouden op heden niet langer.