Samenvatting
Verzoeker heeft een religieuze overtuiging als moslim waarbij de invulling afwijkt van de strikte vereisten van het huidige taliban regime. Door het niet eens te zijn met de geloofs- en gedragsregels van de taliban geeft verzoeker bovendien blijk van een politieke overtuiging, aangezien er in Afghanistan heden sprake is van een autoritaire theocratie of theocratische politiestaat. De gronden ‘religieuze’ en ‘politieke overtuiging’ kunnen dus in zekere mate overlappen.
De Raad stelt dat wanneer een Afghaanse verzoeker om internationale bescherming aanhaalt dat hij zijn geloof op een andere wijze beleeft of verklaart dat hij het niet eens is met de geloofs- en gedragsregels van de taliban, moet worden onderzocht of er een gegronde vrees bestaat voor vervolging omwille van een (toegeschreven) verwestering, een (toegeschreven) normoverschrijding, zijn religieuze en/of politieke overtuiging of enige andere overtuiging die hem kan worden toegediend door potentiële actoren van vervolging in zijn land van herkomst. De Raad concludeert dat verwerende partij dat in casu niet afdoende had onderzocht gezien verzoeker niet diepgaand werd bevraagd over zijn religieuze overtuiging, noch over zijn politieke overtuiging die daaruit voortvloeit.
De Raad benadrukt dat van verzoeker niet kan worden verwacht dat hij verplicht wordt om bepaalde godsdienstige handelingen te stellen die niet stroken met zijn persoonlijke religieuze overtuiging. Om die reden kan evenmin worden verwacht dat verzoeker, die zich identificeert als niet-praktiserende moslim, de geldende religieuze voorschriften van de taliban zal volgen als hij terugkeert naar Afghanistan.
De Raad kan geen volledig beeld vormen van de sterkte en omvang van verzoekers (toegeschreven) religieuze en/of politieke overtuiging. Er ontbreekt bovendien actuele landeninformatie over de handhaving van de religieuze richtlijnen en de bestraffing bij niet-naleving ervan. Een verder onderzoek dringt zich dus op. De Raad vernietigt de beslissing.