Samenvatting
Vooreerst wijst de Raad op het bij het verzoekschrift (stuk 4c) gevoegde medisch attest van 18 maart 2025 en dat dus dateert van na de bestreden beslissing van 10 maart 2025. Uit dit medisch attest blijkt dat de littekens op verzoeksters lichaam, die reeds eerder (verzoekschrift, stuk 4a) werden vastgesteld, overeenstemmen met verwondingen toegebracht met een voorwerp door een derde. Dat deze verwondingen door haarzelf of een ongeval werden opgelopen, wordt onwaarschijnlijk geacht. Verder stelt dit attest dat de twee miskramen die verzoekster had, waarschijnlijk het gevolg waren van herhaalde slagen in de buikzone. Naast fysieke ongemakken die verzoekster ondervindt in het kader van haar huidige zwangerschap, wordt tevens vermeld dat verzoekster mogelijks met een post-traumatisch stresssyndroom te kampen heeft.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het Hof) sprak zich reeds herhaaldelijk uit over de waarde van medische stukken in het asielrecht (o.m. EHRM (GK), 9 maart 2010, nr. 41827/07, R.C./Zweden, § 55, EHRM 18 april 2013, nr. 18372/10, M.O.M./Frankrijk, §§ 39-41 en EHRM 10 oktober 2013, nr. 18913/11, K.K./Frankrijk) en stelt hieromtrent ondermeer in zijn arrest I. t Zweden van 5 september 2013, nr. 61204/09 in § 62 op genuanceerde wijze dat: “[…] However, leaving aside deportations to countries where the general situation is sufficiently serious to conclude that the return of any refused asylum seeker thereto would constitute a violation of Article 3 of the Convention, the Court acknowledges that in order for a State to dispel a doubt such as mentioned in R.C. v. Sweden, the State must at least be in a position to assess the asylum seeker’s individual situation. However, this may be impossible, when there is no proof of the asylum seeker’s identity and when the statement provided to substantiate the asylum request gives reason to question his or her credibility. Moreover, as stated above, the Court’s established case-law is that in principle it is for the person to be expelled to adduce evidence capable of proving that there are substantial grounds for believing that, if the measure complained of were to be implemented, he or she would be exposed to a real risk of being subjected to treatment contrary to Article 3. Where such evidence is adduced, it is for the Government to dispel any doubts about it”. Hieruit blijkt dat behalve in situaties van verwijderingen naar landen waar de algemene situatie zo ernstig is dat de terugkeer van om het even welke geweigerde asielzoeker aanleiding geeft tot een situatie strijdig met artikel 3 van het EVRM, het Hof aanneemt dat de Staat, om de twijfel op hernieuwde foltering of een mensonwaardige behandeling weg te nemen, de mogelijkheid moet hebben om de individuele situatie van de asielzoekers te beoordelen. Dit kan onmogelijk gemaakt worden indien er geen bewijs is van de identiteit van de asielzoeker of wanneer de verklaringen ter ondersteuning van de asielaanvraag aanleiding geven tot twijfels over de geloofwaardigheid. In principe is het vaste rechtspraak van het Hof dat het aan de persoon die verwijderd wordt, toekomt om voldoende bewijs voor te leggen om aan te nemen dat hij in geval van uitvoering van de verwijderingsmaatregel een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling loopt. Enkel als dergelijk bewijs voorligt, komt het aan de overheid toe om twijfel dienaangaande te weerleggen.
Ook al is de thans bestreden beslissing geen verwijderingsmaatregel, toch kunnen mutatis mutandis uit voormelde rechtspraak nuttige richtlijnen worden afgeleid voor het gewicht dat aan medische attesten in het kader van de beoordeling van de geloofwaardigheid van een asielrelaas moet gegeven worden en dit zowel wat betreft de eventuele eerdere vervolging als de eventuele eerdere ernstige schade (zie ook artikel 48/7 van de Vreemdelingenwet als omzetting van artikel 4, 4 van de richtlijn 2011/95/EU). Uit paragraaf 62 van het arrest I. t Zweden kan afgeleid worden dat een medisch bewijs enkel aanleiding geeft tot een omkering van de bewijslast indien de identiteit vaststaat en de verklaringen in voldoende mate geloofwaardig zijn, zodat kan aangenomen worden dat een terugkeer een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade inhoudt. Enkel als een dergelijke situatie zich voordoet, komt het aan de overheid toe om twijfel aangaande het risico om opnieuw het voorwerp uit te maken van foltering of onmenselijke behandeling te weerleggen.
De Raad beaamt dat een arts vaststellingen kan doen met betrekking tot de littekens van een patiënt. Hij kan, rekening houdend met zijn bevindingen, uitspraak doen over de fysieke oorzaak van de littekens en kan dit onder meer afleiden uit de ernst en de plaats van de verwondingen. Een arts kan evenwel nooit met volledige zekerheid de precieze feitelijke omstandigheden of context schetsen waarbij de littekens en verwondingen werden opgelopen, noch uitspraak doen over de redenen waarom verwondingen en littekens werden toegebracht. Een medisch attest volstaat op zich dan ook niet om een persoonlijke situatie van ernstige onveiligheid aannemelijk te maken.
Een dergelijk medisch attest moet worden beoordeeld in samenhang met de verklaringen van de verzoeker hierover en in het licht van relevante landeninformatie. Daarbij moet worden nagegaan of door middel van geloofwaardige verklaringen in samenhang met het voorgelegde medische attest en de relevante landeninformatie voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat de vastgestelde verwondingen en miskramen het gevolg zijn van seksueel geweld, zoals verzoekster benadrukt in haar verzoekschrift. Immers vereist een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling dat de voorgelegde documenten samen met de verklaringen en de relevante landeninformatie worden bekeken en in hun geheel worden beoordeeld, zoals gestipuleerd in artikel 4, lid 2 en lid 3 van de richtlijn 2011/95/EU, dat werd omgezet in artikel 48/6 van de Vreemdelingenwet. Paragraaf 5 van voormeld artikel bepaalt uitdrukkelijk: “De met het onderzoek belaste instanties beoordelen het verzoek op individuele, objectieve en onpartijdige wijze en houden rekening met de volgende elementen :
(….)
b) de door de verzoeker afgelegde verklaringen en overgelegde documenten (…).”
Verder wijst de Raad erop dat het Hof van Justitie van de Europese Unie reeds heeft benadrukt dat artikel 4, lid 3, b) van de richtlijn 2011/95/EU de verplichting oplegt om het beschermingsverzoek op individuele basis te beoordelen, waarbij onder meer rekening dient te worden gehouden met de door de verzoeker overgelegde relevante documenten (HvJ 10 juni 2021, C-921/19).
Aldus moeten alle bewijselementen in hun geheel worden bekeken en geen enkel aspect van deze bewijselementen mag buiten beschouwing worden gelaten (EUAA “Evidence and credibility assessment in the context of the Common European Asylum System Judicial analysis Second edition”, februari 2023, p. 101-103).
Het voorgaande in acht genomen en gelet op de inhoud van het medisch attest van 18 maart 2025, dient dan ook omzichtig te worden omgesprongen met die nieuwe informatie, die mee in overweging dient te worden genomen teneinde de situatie van verzoekster te kunnen inschatten, en het noopt bijgevolg tot een nader en gedegen onderzoek. Des te meer omdat uit de landeninformatie opgenomen in het verzoekschrift blijkt dat seksueel en gender gerelateerd geweld tegen vrouwen in Nigeria een ernstig probleem vormt.
De Raad herinnert er verder aan dat de met het onderzoek van het beschermingsverzoek belaste instanties tot taak hebben om de relevante elementen van het verzoek om internationale bescherming in samenwerking met de verzoeker te beoordelen, zoals bepaald in artikel 48/6, § 1, tweede lid van de Vreemdelingenwet.
Vervolgens stelt de Raad vast dat geen geloof kan worden gehecht aan verzoeksters vluchtrelaas, met name haar bewering dat leden van Boko Haram haar huis binnenvielen, dat zij haar ouders, broer en zus doodden en dat verzoekster vervolgens werd ontvoerd en verkracht. In de bestreden beslissing motiveert de commissaris-generaal dienaangaande terecht dat verzoeksters verklaringen over haar belagers niet overeenstemmen met de aan het administratief dossier (zie map 'Landeninformatie') toegevoegde informatie:
“Waar u in uw […] verzoek om internationale bescherming beweert dat uw hele gezin werd uitgemoord door Boko Haram wanneer jullie in Minna woonden en u door één van hen werd ontvoerd en seksueel misbruikt, dient te worden opgemerkt dat ook aan het door u geëtaleerde relaas an sich geen geloof wordt gehecht. U legt immers bijzonder vage, en bovenal foutieve, verklaringen af over de door u gestelde actoren van vervolging, Boko Haram.
Uit de landeninformatie die ter beschikking staat van het CGVS blijkt dat Boko Haram een terroristische beweging is die de Nigeriaanse seculiere staat wilt omvormen tot een Islamitische staat die de Sharia sterk nastreeft. Ze zijn actief in het Noord – Oosten van Nigeria en voeren daarbij aanvallen uit tegen westersen, christenen en moslims die als collaborateurs worden aanzien (zie blauwe map in administratief dossier). Het Biafra conflict dat u ter sprake brengt, komt voor in het Biafra gebied dat voornamelijk bewoond wordt door de Igbo – etnie, gelegen in het Zuid – Oosten van Nigeria. Nadat Igbo’s in 1966 in grote aantallen werden verdreven uit het Noorden van het land – waar Hausa en Fulani voornamelijk gevestigd zijn – settelden zij zich opnieuw in uw geboortegebied dat vervolgens werd omgedoopt tot de Biafra regio. Vervolgens ging men de strijd aan met de Nigeriaanse staat om het gebied onafhankelijk te maken, een strijd die vandaag de dag nog steeds wordt voortgezet door Movement for the Actualization of the Sovereign State of Biafra (MASSOB) en Indigenous People of Biafra (IPOB) (zie blauwe map in administratief dossier). De twee opgesomde conflicten vinden aldus plaats met een verschillend doel in een verschillende regio te Nigeria waarbij afzonderlijke groeperingen (religieuze in het eerste geval, etnische in het andere) betrokken zijn.
U haalt aan dat in Minna, Niger State, zowel de Igbo als de Hausa etnie voorkomen, hetgeen aan de basis zou liggen van de schade die u en uw gezin zouden zijn berokkend wanneer jullie daar woonden (NPO, p. 11). Deze stelling wordt reeds weerlegd door het feit dat in de landeninformatie is terug te vinden dat de Hausa in Niger State wel degelijk een voorkomende etnische groepering is, maar de Igbo niet. De Nupe, Gbagyi, Kamaku en Kambari vormen naast de Hausa de meerderheid van de etnische groeperingen in deze staat en worden verder aangevuld met de Adara, Koro Kungawa en Hun – Saare (zie blauwe map in administratief dossier).
U vertelt verder dat de Igbo’s gelijkgesteld worden met Biafra en dat zij aldus worden gedood door Boko Haram, omdat deze niet willen dat Biafra onafhankelijk wordt. Boko Haram zou volgens u willen dat enkel Nigeria bestaat. Boko Haram vecht in het kader van het Biafra conflict tegen alle Igbo’s, met het idee dat de Biafra/Igbo’s geen recht hebben om te bestaan. Naar het einde van het persoonlijk onderhoud met een medewerker van het CGVS herhaalt u nogmaals: “Biafra’s zijn steeds actief om de Igbo’s te beschermen omdat ze weten dat Boko Haram de Igbo’s uitmoordt omdat ze niet willen dat Biafra onafhankelijk wordt.” U haalt nog aan dat u ook in Lagos niet veilig zou zijn voor Boko Haram, omdat ook daar wordt gevochten tussen Boko Haram en Biafra daar deze laatste groepering het gevecht aangaat met de mensen die Igbo’s vermoorden omdat ze hen geen Biafra willen toestaan. (NPO, p. 11, 14, 17). Gevraagd of er naast het uitroeien van de Igbo’s, opdat Biafra niet kan bestaan, nog andere doeleinden bestaan waardoor Boko Haram uit de grond werd gestampt, antwoordt u dat u dat niet weet. U voegt er nog aan toe dat het voor Boko Haram in het algemeen niet uitmaakt tot welke etnische groepering men behoort. U bent opgegroeid met het idee dat Boko Haram mensen vermoordt (NPO, p. 15).
Bij het uiteenzetten van uw relaas betrekt u aldus beide conflicten, de religieuze strijd van Boko Haram en de strijd voor de onafhankelijkheid van Biafra, tot één geheel - hetgeen volstrekt incorrecte informatie is (zie supra). U bent ook niet in staat om de ware bestaanreden van Boko Haram te benoemen. Van iemand die beweert in een gebied te hebben verbleven waar ze steeds op haar hoede moest zijn voor Boko Haram en ook werkelijk slachtoffer zou zijn geworden van deze terreurorganisatie mag op z’n minst worden verwacht dat ze enige juiste kennis weet te vertonen over diezelfde organisatie. De vaststelling dat u uw relaas niet eens in de correcte context weet te plaatsen, maakt dat ook geen enkel geloof wordt gehecht aan de door u opgeworpen vervolgingsfeiten en de vrees bij terugkeer naar Nigeria die u hieraan vastknoopt.”
Verzoekster stelt in haar verzoekschrift dat omwille van haar lage opleidingsgraad van haar geen correcte weergave kan worden verwacht van de geopolitieke situatie in Nigeria en dat de informatie die zij wel heeft, van haar vader afkomstig is. De Raad wijst erop dat uit verzoeksters verklaringen blijkt dat de leden van Boko Haram haar belagers zouden zijn en bijgevolg een kernelement van haar vluchtrelaas uitmaken. Er kan dan ook redelijkerwijze worden verwacht dat zij zich terdege over haar belagers tracht te informeren. Zij verklaarde bovendien tijdens haar persoonlijk onderhoud inderdaad dat haar vader haar over de gevaren van Boko Haram informeerde en haar waarschuwde om voorzichtig te zijn (notities van het persoonlijk onderhoud, p. 14 en 15). Dat verzoekster omwille van haar (beweerde) lage scholingsgraad niet in staat was om zich terdege over haar belagers te informeren, is dan ook niet aannemelijk. Aangezien verzoekster bovendien geen duidelijk zicht biedt op haar levensomstandigheden in Nigeria voorafgaand aan haar komst naar België (zie infra), staat het heden evenmin vast dat verzoekster daadwerkelijk (naar Nigeriaanse normen) laagopgeleid zou zijn. Dienaangaande wijst de Raad erop dat verzoekster tijdens haar interview bij de Dienst Vreemdelingenzaken aangaf dat zij hogere studies/universiteit deed, doch het college verliet zonder diploma (administratief dossier, stuk 7, ‘verklaring DVZ’, verklaring 11), zodat zij bezwaarlijk als laagopgeleid kan worden beschouwd. Tijdens haar persoonlijk onderhoud verklaarde verzoekster dan weer dat zij nog klein was toen zij de “secundary school” vroegtijdig stopzette (notities van het persoonlijk onderhoud, p. 7). Aldus werpt verzoekster geen ander licht op voormelde motieven uit de bestreden beslissing, waarin de commissaris-generaal op goede gronden vaststelt dat verzoekster niet aannemelijk maakt dat zij door leden van Boko Haram werd geviseerd. Deze motieven worden door de Raad overgenomen en tot de zijne gemaakt.
Gezien de ongeloofwaardigheid van haar vluchtrelaas, verkeert de Raad heden in het ongewisse over de precieze context waarin verzoekster het slachtoffer zou zijn geweest van seksueel en/of gender gerelateerd geweld, zoals dit naar voren komt in het voormelde medisch attest van 18 maart 2025. Nochtans is deze context in het licht van de beoordeling van de door haar voorgehouden nood aan internationale bescherming van doorslaggevend belang. Immers, uit de in het verzoekschrift aangehaalde informatie (onder andere het rapport “Nigeria – Country Focus” van EUAA van juli 2024 en het rapport “General Country of Origin Information Report Nigeria” van het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken van januari 2023) blijkt dat seksueel en gender gerelateerd geweld ten aanzien van vrouwen in Nigeria zowel in de familiale context als daarbuiten plaatsvindt, terwijl de beschermingsmogelijkheden waarop slachtoffers eventueel beroep zouden kunnen, in beide gevallen sterk van elkaar kunnen verschillen. Ook in het kader van de geloofwaardigheidsbeoordeling van de door verzoekster voorgehouden nood aan internationale bescherming omwille van het voorgehouden seksueel en/of gender gerelateerd geweld waarvan zij stelt het slachtoffer te zijn geweest, is het van doorslaggevend belang een volledig en waarheidsgetrouw beeld te hebben van de omstandigheden waarin zij van dergelijk geweld slachtoffer zou zijn geweest.
Dienaangaande merkt de Raad op dat heden onvoldoende elementen voorliggen waaruit een dergelijk volledig en waarheidsgetrouw beeld van verzoeksters levensomstandigheden in Nigeria voorafgaand aan haar komst naar België kan worden afgeleid. Zoals reeds vastgesteld, kan geen geloof worden gehecht aan verzoeksters vluchtrelaas, waar zij beweert door leden van Boko Haram te zijn geviseerd nadat zij haar ouders en broer en zus vermoordden en haar ontvoerden en verkrachtten en legt verzoekster uiteenlopende verklaringen af over haar opleidingsgraad (zie supra). In het medisch attest van het Divine Blessed Assurance Medical Centre van 10 februari 2025 (verzoekschrift, stuk 4b) wordt bovendien vermeld dat verzoekster in dit medisch centrum beviel en ook twee miskramen had. Verzoekster maakte doorheen haar asielprocedure tot nu toe geen enkele melding van een bevalling en/of het hebben van een kind, hoewel zij het voormeld medisch centrum in Nigeria, naast de twee miskramen die zij had, ook in het kader van een bevalling zou hebben bezocht. Tevens merkt de Raad op dat uit voormelde informatie aangehaald in het verzoekschrift ook blijkt dat de Nigeriaanse samenleving patriarchaal van aard is en dat vrouwen sterk worden aangemoedigd (en soms zelf gedwongen worden) om te huwen, terwijl verzoekster op intussen 31-jarige leeftijd nog niet gehuwd zou zijn - zij maakte alleszins geen melding van een echtgenoot of partner en verklaarde, integendeel, in Nigeria niemand te hebben behalve de baby in haar buik (notities van het persoonlijk onderhoud, p. 14; administratief dossier, stuk 7, ‘verklaring DVZ’, verklaring 14). Uit een lezing van de notities van het persoonlijk onderhoud blijkt voorts dat verzoekster tijdens haar persoonlijk onderhoud slechts beperkt werd bevraagd met betrekking tot haar levensomstandigheden in Nigeria voorafgaand aan haar komst naar België. Het geheel van deze elementen – het medisch attest van 18 maart 2025 waarin elementen worden opgenomen die erop wijzen dat verzoekster in het verleden slachtoffer werd van seksueel en/of gender gerelateerd geweld, de ongeloofwaardigheid van haar vluchtrelaas met betrekking tot haar belaging door leden van Boko Haram, het onvolledig beeld van verzoeksters levensomstandigheden in Nigeria voorafgaand aan haar komst naar België – maakt dat heden geen volledige, waarheidsgetrouwe ex nunc beoordeling kan worden gemaakt van de door verzoekster voorgehouden nood aan internationale bescherming.