Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 326.246 - 6-05-2025

Samenvatting

In casu wordt niet betwist dat de gelegaliseerde Iraakse uittreksels uit het burgerregister nieuwe elementen vormen, aangezien ze nog niet in een eerdere asielprocedure werden betrokken, voorgelegd of beoordeeld.

De vraag stelt zich of deze documenten niet alleen nieuwe elementen zijn maar ook nieuwe elementen die de kans aanzienlijk groter maken dat verzoekers in aanmerking komen voor internationale bescherming.

In het kader van de eerste beschermingsverzoeken benadrukten zowel de verwerende partij als de Raad het belang van het voorleggen van authentieke en overtuigende stukken die verzoekers’ burgerlijke staat, met name hun ongehuwde status, in Irak vermelden. De Raad oordeelde in zijn arrest nr. 240 661 immers: “De Raad merkt op dat het niet zozeer de discrepanties in hun verklaringen zijn die de geloofwaardigheid van het relaas ondermijnen, dan wel de afwezigheid van authentieke stukken die de actuele burgerlijke staat van verzoekers vermelden.” en “Aangezien verzoekers hun profiel als ongehuwd koppel onvoldoende aannemelijk maken, kan geen geloof worden gehecht aan de gegrondheid van de vrees voor represailles vanwege de familie van verzoekster.”

De voorgelegde gelegaliseerde Iraakse uittreksels uit het burgerregister vormen aldus een zeer relevant element in het kader van een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling van verzoekers’ vluchtrelaas en raken aan de essentie en kern ervan, met name de vraag of zij in Irak nog ongehuwd waren. Deze documenten moeten daarom ernstig worden genomen en zorgvuldig worden onderzocht, zoals verzoekers ter terechtzitting terecht aanvoeren.

De stelling van de commissaris-generaal dat deze stukken “niet aanvaard worden als bewijs” dat zij in Irak nog ongehuwd waren en niet van die aard zijn dat ze de appreciatie van het CGVS en de Raad hieromtrent kunnen weerleggen, is voorbarig. In dit stadium moet immers enkel worden nagegaan of deze beschermingsverzoeken ontvankelijk zijn, waarbij het volstaat dat deze documenten de kans aanzienlijk groter maken dat verzoekers voor internationale bescherming in aanmerking komen. Het is hierbij niet nodig dat de verwerende partij ervan overtuigd is dat deze nieuwe documenten de volgende beschermingsverzoeken afdoende staven daar een inhoudelijke behandeling ten gronde van deze beschermingsverzoeken in dit stadium nog niet aan de orde is (HvJ 10 juni 2021, LH t. Staatssecretaris voor Justitie en Veiligheid, C-921/19, pt. 62).

Verder is de Raad van oordeel dat de commissaris-generaal zich in onderhavige zaak niet kon beperken tot voormelde vaststellingen op basis waarvan de authenticiteit en bijgevolg de bewijswaarde van de voorgelegde gelegaliseerde Iraakse uittreksels uit het burgerregister in vraag wordt gesteld – met name de vaststellingen dat er enkel kopieën voorliggen, dat uit de landeninformatie blijkt dat alle Iraakse documenten op eenvoudige wijze illegaal te verkrijgen zijn en dat er een flagrante schrijffout is –, om vervolgens te stellen dat verzoekers geen nieuwe elementen aanbrengen die de kans aanzienlijk groter maken dat zij voor internationale bescherming in aanmerking komen.

Vooreerst leggen verzoekers ter terechtzitting de originele documenten voor waardoor het motief in de bestreden beslissingen dat deze documenten louter kopieën betreffen, vervalt.

Verder kan geen abstractie worden gemaakt van het feit dat deze Iraakse uittreksels uit het burger-register werden gelegaliseerd door de Belgische ambassade in Jordanië. Met betrekking tot aktes van de burgerlijke stand, verkregen in het buitenland en te gebruiken in België, stipuleert artikel 30 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht het volgende: “§ 1. Een buitenlandse rechterlijke beslissing of authentieke akte moet worden gelegaliseerd om in België geheel of bij uittreksel, in origineel of bij afschrift, te worden voorgelegd. De legalisatie bevestigt slechts de echtheid van de handtekening, de hoedanigheid waarin de ondertekenaar van het stuk heeft gehandeld en, in voorkomend geval, de identiteit van het zegel of de stempel op het stuk.
§ 2. De legalisatie wordt gedaan : 1° door een Belgische diplomatieke of consulaire ambtenaar die geaccrediteerd is in de Staat waar de beslissing is gewezen of de akte is opgesteld; 2° bij gebreke hiervan, door een diplomatieke of consulaire ambtenaar van de buitenlandse Staat die de belangen van België in die Staat behartigt; 3° bij gebreke hiervan, door de Minister van Buitenlandse Zaken.”

Het feit dat de voorgelegde Iraakse uittreksels uit het burgerregister werden gelegaliseerd, hetgeen door de verwerende partij niet wordt betwist, betekent dat het mogelijk was om de herkomst, identiteit en bevoegdheid van de Iraakse autoriteit die de documenten heeft afgegeven, te controleren en dat de echtheid van de handtekening en de hoedanigheid van de ondertekenaar werd bevestigd. Indien dit niet mogelijk was geweest, zouden de Iraakse uittreksels uit het burgerregister niet zijn gelegaliseerd door de Belgische ambassade.

Bijgevolg kan worden besloten dat er heden wel degelijk authentieke documenten voorhanden zijn, zijnde originele documenten afgegeven door de daartoe bevoegde Iraakse instanties.

Het is inderdaad zo dat een legalisatie van deze stukken de inhoudelijke juistheid van de in de documenten vermelde gegevens niet kan waarborgen. Er wordt immers impliciet aangegeven: “Deze legalisatie waarborgt de authenticiteit van de inhoud van het document niet.”.

In dit opzicht verwijst de commissaris-generaal naar landeninformatie waaruit zou blijken dat alle Iraakse documenten op eenvoudige wijze illegaal te verkrijgen zijn en daardoor een bijzonder geringe objectieve bewijswaarde hebben. Deze algemene vaststelling volstaat op zich echter niet om te stellen dat in onderhavige zaak deze specifieke documenten geen nieuwe elementen kunnen vormen in de zin van artikel 57/6/2, §1, eerste lid van de Vreemdelingenwet. Ten eerste, zoals reeds aangehaald, raken stukken die de burgerlijke staat van verzoekers in Irak vermelden aan de essentie en kern van hun vluchtrelaas, namelijk de vraag of zij in Irak nog ongehuwd waren. Deze stukken vormen aldus zeer relevante elementen in het kader van een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling van hun vluchtrelaas, zoals ook blijkt uit ’s Raads arrest nr. 240 661 van 9 september 2020. Ten tweede, dat de objectieve bewijswaarde van Iraakse documenten bijzonder gering wordt geacht, neemt niet weg dat ze wel degelijk enige bewijswaarde hebben. Het voorgaande in acht genomen, is het loutere gegeven dat alle Iraakse documenten op eenvoudige wijze illegaal te verkrijgen zijn, in deze zaak niet afdoende om te stellen dat deze documenten geen nieuwe elementen zijn in de zin van artikel 57/6/2, §1, eerste lid van de Vreemdelingenwet.

Aldus blijft het enkele gegeven dat de Engelstalige afschriften uit het Iraakse burgerlijk register een flagrante schrijffout bevatten met betrekking tot het cruciale element, namelijk verzoekers’ burgerlijke staat. Evenwel herhaalt de Raad in deze dat het voorleggen van stukken die de burgerlijke staat van verzoekers in Irak vermelden, aan de essentie en kern van hun vluchtrelaas raakt, met name de vraag of zij in Irak nog ongehuwd waren, waardoor deze stukken aldus zeer relevante elementen vormen in het kader van een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling van hun vluchtrelaas. Tevens stipt de Raad hierbij wederom aan dat ter terechtzitting originele documenten worden voorgelegd die door de Belgische ambassade werden gelegaliseerd. Ter terechtzitting verklaren verzoekers dat de Belgische ambassade in Jordanië de autoriteit is op het gebied van Iraakse documenten en dat zij de expertise van deze dienst, die het attest heeft gelegaliseerd, niet in vraag willen stellen. De Raad stelt verder vast dat naast de Engelstalige afschriften, ook de Arabische afschriften werden voorgelegd die evenwel niet vertaald zijn. Ten slotte hebben deze Iraakse documenten, hoewel gering, toch enige bewijswaarde.

Het geheel dat voorafgaat in acht genomen, acht de Raad het in deze omstandigheden niet zorgvuldig of afdoende om enkel op basis van deze schrijffout de authenticiteit en inhoud van de voorgelegde Iraakse uittreksels uit het burgerregister in vraag te stellen en deze stukken vervolgens niet als nieuwe elementen in de zin van artikel 57/6/2, § 1, eerste lid van de Vreemdelingenwet te beschouwen.

De advocaat van verzoekers verwijst ter terechtzitting nog naar het arrest Singh van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM 2 oktober 2012, nr. 33210/11). Uit dit arrest volgt dat documenten die ter ondersteuning van een beschermingsverzoek worden ingediend, zorgvuldig en rigoureus moeten worden onderzocht. Wanneer een verzoekende partij documenten overlegt die de twijfels over de geloofwaardigheid van een vluchtrelaas kunnen wegnemen, en deze documenten niet onbeduidend zijn maar centraal staan in het beschermingsverzoek omdat ze raken aan de kern ervan, quod in casu, moet worden onderzocht of deze documenten de beweerde vrees voor vervolging in het land van herkomst kunnen staven.

Gelet op wat voorafgaat, acht de Raad een diepgaander en grondig onderzoek naar deze Iraakse uittreksels uit het burgerregister in het licht van artikel 57/6/2, § 1, eerste lid van de Vreemdelingenwet noodzakelijk, gelet op het potentieel doorslaggevende belang ervan voor wat betreft de vaststelling of verzoekers al dan niet nog ongehuwd waren in Irak, hetgeen behoort tot de essentie en kern van hun vluchtrelaas.

Het is daarbij aan verzoekers om de originele documenten over te maken aan de commissaris-generaal, zodat deze nader kunnen worden bekeken. Bij een verdere beoordeling of deze nieuwe documenten de kans op internationale bescherming aanzienlijk groter maken, kan onder meer de inhoud van de Arabische afschriften worden betrokken alsook de wijze waarop verzoekers deze documenten verkregen hebben en waarom deze documenten pas bij een tweede beschermingsverzoek worden voorgelegd.

De Raad stelt vast dat verzoekers hierover niet zijn bevraagd tijdens hun interview bij de Dienst Vreemdelingenzaken op 15 juni 2023 (AD CGVS, Verklaring volgend verzoek 15 juni 2023, vraag 17). Door verzoekers hierover nader te horen, wordt verdere invulling gegeven aan de verplichting van de verwerende partij om de relevante elementen van hun beschermingsverzoeken – in casu de gelegaliseerde Iraakse uittreksels uit het burgerregister – in samenwerking met verzoekers te beoordelen.

Verder stipt de Raad aan dat deze documenten in samenhang met verzoekers’ verklaringen moeten worden bekeken en in hun geheel moeten worden beoordeeld, en dit in overeenstemming met artikel 48/6 van de Vreemdelingenwet, waarvan paragraaf 5 bepaalt: “De met het onderzoek belaste instanties beoordelen het verzoek op individuele, objectieve en onpartijdige wijze en houden rekening met de volgende elementen : […] b) de door de verzoeker afgelegde verklaringen en overgelegde documenten […]” om vervolgens, in samenwerking met verzoekers, te kunnen vaststellen of er al dan niet sprake is van nieuwe elementen in de zin van artikel in de zin van artikel 57/6/2, §1, eerste lid van de Vreemdelingenwet.