Samenvatting
In hoofdorde vreest verzoekster, een lesbische vrouw, vervolgd te worden in Rusland omwille van haar seksuele oriëntatie.
Te dezen benadrukt de Raad dat in casu in de huidige stand van de rechtspleging geen uitspraak wordt gedaan over verzoeksters vermeende problemen in het verleden in Rusland omwille van haar seksuele oriëntatie, noch over haar bewering dat zij in Rusland haar seksuele oriëntatie diende verborgen te houden.
De Raad gaat daarentegen wel in op de vraag of in verzoeksters hoofde een gegronde vrees voorvervolging kan worden afgeleid omwille van haar seksuele oriëntatie an sich.
De Raad stelt vast dat de commissaris-generaal van oordeel is dat uit algemene landeninformatie geenszins blijkt dat LGBTQI+-personen in Rusland op heden het voorwerp uitmaken van een systematische vervolging in vluchtelingrechtelijke zin en dat in hoeverre LGBTQI+-personen blootstaan aan homo- of transfobie en/of discriminatie en in hoeverre dergelijke problemen naar aard, intensiteit en draagwijdte beschouwd kunnen worden als vervolging in de zin van het Verdrag van Genève individueel dient beoordeeld te worden. In dit verband stelt de verwerende partij in de bestreden beslissing en in haar nota d.d. 14 januari 2025 enkel dat, niettegenstaande op 30 juni 2013 de zogenaamde “wet tegen homoseksuele propaganda” in werking trad, homoseksualiteit in de Russische Federatie niet strafbaar is, dat, hoewel er in er Russische maatschappij weliswaar een negatieve beeldvorming bestaat van homoseksuelen en lesbiennes, wat op individueel niveau kan uitmonden in daden van vervolging, dit niet heeft geleid, noch actueel leidt tot systematisch, aanhoudend of grootschalig geweld ten aanzien van homoseksuelen en lesbiennes in de Russische Federatie en dat het voor leden van de LGBTQI+-gemeenschap in Rusland nog steeds niet altijd even evident is om zich als dusdanig te profileren, dat zij in bepaalde situaties het voorwerp kunnen uitmaken van discriminatoire behandeling en dat nog verdere stappen dienen te worden gezet op het vlak van gelijke rechten voor de LGBTQI+-gemeenschap. De verwerende partij baseert zich hiervoor op de informatie die zij tijdens de administratieve procedure toevoegde aan het administratief dossier – zijnde (uittreksels uit) het Nederlandse Algemeen Ambtsbericht inzake de Russische Federatie van zowel april 2021 als maart 2023 en de rapporten “Annual Review of the Human Rights Situation on Lesbian, Gay, Bisexual, Trans and Intersex People in Russia” van zowel 2022 als 2023 van ILGA Europe – en op de informatie waarnaar zij in haar nota d.d. 14 januari 2025 met vermelding van de weblink verwijst – zijnde het rapport “Russia: events of 2023” van Human Rights Watch en het rapport “Russia 2023” van Amnesty International.
De Raad stelt echter vast dat een aantal cruciale elementen in de evolutie inzake de (mensenrechten)situatie van de LGBTQI+-gemeenschap in de Russische Federatie (zo goed als volledig) onbesproken blijft in voormelde motivering ter ondersteuning van de stelling van de verwerende partij dat er geen sprake is van een systematische vervolging in vluchtelingrechtelijke zin van de LGBTQI+-gemeenschap in Rusland.
Ten eerste wordt er in de bestreden beslissing melding gemaakt van de zogenaamde op 30 juni 2013 in werking getreden “wet tegen homoseksuele propaganda”, maar wordt er verder geen aandacht besteed aan de inhoud van deze wet en de latere verstrenging en uitbreiding ervan, laat staan aan de concrete impact van deze wet op de situatie van de LGBTQI+-gemeenschap in de Russische Federatie. Ook in haar nota van 14 januari 2025 gaat de verwerende partij hier in het geheel niet op in. Uit het Nederlandse Algemeen Ambtsbericht inzake de Russische Federatie van april 2021 (administratief dossier, map landeninformatie, stuk 2) en waarnaar tevens in het verzoekschrift wordt verwezen, komt naar voor dat voormelde wet uit 2013 initieel elke uiting die minderjarigen tot niet-heteroseksuele geaardheid zou aanzetten verbood. Verder blijkt uit het Nederlandse Algemeen Ambtsbericht inzake de Russische Federatie van maart 2023 (administratief dossier, map landeninformatie, stuk 3) en dat eveneens in het verzoekschrift wordt aangehaald dat de “wet tegen homoseksuele propaganda” in december 2022 op belangrijke punten werd aangescherpt in een nieuwe wet. Concreet werden er administratiefrechtelijke overtredingen en strafverhoging ingevoerd voor elke LGBTQI+-gerelateerde uiting zichtbaar voor eender wie in Rusland. Luidens het verzoekschrift leidt dit ertoe dat sindsdien het bezit van alle informatie over en uiting met betrekking LGBTQI+ strafbaar is. Verzoekster benadrukt dat uit het Algemeen Ambtsbericht van maart 2023 blijkt dat zelfs indien de impact van de kwestieuze wetgeving beperkt zou blijven het signaal naar de bevolking duidelijk is en dit een legitimatie inhoudt van discriminatie, intimidatie en geweld tegen LGBTQI+-personen en het makkelijker wordt gemaakt om mensen te laten “verklikken” voor hun geaardheid of aan geaardheid gerelateerde uitingen. Volgens verzoekster blijkt uit de door de verwerende partij bij het administratief dossier gevoegde landeninformatie, te weten de ILGA-rapporten (administratief dossier, map landeninformatie, stukken 4 en 5) eveneens dat de voormelde wet en de aanscherping ervan alsook andere wetgeving (anti ngo-wetten) een impact heeft op het voorhanden zijn van openbare informatie en toegang tot informatie inzake de situatie van de LGBTQI+-gemeenschap in Rusland en op de werking en het bestaan van ngo’s die LGBTQI+-rechten steunen. Verzoekster meent dat het door de hogervermelde wetgeving strafbaar is geworden zich te identificeren als lesbische vrouw en dat in het licht van deze informatie de stelling van de verwerende partij dat homoseksualiteit bij wet niet verboden is in Rusland op zijn minst verdere onderbouwing behoeft, alsook dat de stelling, dat er in de Russische maatschappij een negatieve beeldvorming ten aanzien van de LGBTQI+-gemeenschap bestaat die kan uitmonden in vervolging, een understatement is. Zij haalt in het verzoekschrift tot slot aan dat uit het voormelde ILGA-rapport van 2023 blijkt dat de Russische autoriteiten ook daadwerkelijk gebruik maken van de mogelijkheden die de “wet tegen homoseksuele propaganda” biedt.
Ten tweede wordt er door de verwerende partij niet ingegaan op de uitspraak van het Russische Hooggerechtshof van 30 november 2023, waarnaar in het rapport van ILGA uit 2023, alsook in het verzoekschrift wordt verwezen, en waarin de “internationale LGBT sociale beweging” opgenomen wordt op de nationale lijst van ‘extremistische’ organisaties en waarin werd gesteld dat elke vorm van LGBTQI+-activisme, ook symbolen, strafbaar is met boetes of gevangenneming. In het verzoekschrift wordt voorts, zonder bronvermelding, aangehaald dat er in november 2023 een wet werd gepubliceerd die de “internationale LGBT beweging” als extremistische groep benoemt. De wet zou in werking getreden zijn in januari 2024 en criminaliseert luidens het verzoekschrift alle vormen van LGBTQI+-activisme. Aangezien er niet zoiets bestaat als een “internationale LGBT beweging”, werden vanuit verschillende hoeken bezorgdheden geuit dat de uitspraak van het Russische Hooggerechtshof – op grond waarvan administratieve en strafrechtelijke vervolging kunnen worden gebaseerd – zou gebruikt worden om op willekeurige wijze LGBTQI+-personen en -activisten te viseren. Verzoekster verwijst in haar verzoekschrift en aanvullende nota tevens naar informatie, onder andere afkomstig van Human Rights Watch, Memorial en Asylos, waaruit blijkt dat mensen effectief strafrechtelijk vervolgd worden onder deze uitspraak die de weg opent naar willekeur en misbruik. Zo werden kort na deze uitspraak verschillende raids uitgevoerd in LGBTQI+-vriendelijke clubs en verschillende activisten, advocaten en organisaties dienden hun werk te stoppen en het land te verlaten. Volgens een door verzoekster in haar verzoekschrift aangehaald artikel van The Conversation houdt voormelde uitspraak een criminalisering in van homoseksualiteit in Rusland an sich, niet als praktijk, maar als identiteit. Luidens het verzoekschrift gaat de uitspraak van het Russische Hooggerechtshof erg ver qua stigmatisering, hetgeen het signaal van de autoriteiten naar de bevolking verder bevestigt.
Ten derde wordt noch in de bestreden beslissing, noch in de nota van de verwerende partij d.d. 14 januari 2025 ingegaan op de impact die de oorlog in Oekraïne heeft op de situatie van de LGBTQI+-gemeenschap in de Russische Federatie, los van de voormelde ontwikkelingen. Verzoekster betoogt in haar verzoekschrift dat LGBTQI+-rechten door de Russische autoriteiten worden afgeschilderd als iets dat gaat tegen de kernwaarden van de Russische samenleving en als westerse constructies en die door deze autoriteiten sterk worden gezien als onderdeel van de propaganda- of cultuuroorlog met het Westen. Zij stelt dat anti-LGBTQI+-propaganda ook gebruikt wordt ter rechtvaardiging van de oorlog in Oekraïne en dat de positie van LGBTQI+-personen sinds de start van de oorlog ernstig verslechterd is. Zo kan gewezen worden op een door verzoekster in het verzoekschrift aangehaald onderzoek van Coming Out, waarnaar in het reeds aangehaalde rapport van ILGA uit 2023 wordt verwezen, waaruit blijkt dat 82% van de LGBTQI+-deelnemers aangaf dat de oorlog in Oekraïne een invloed op hen persoonlijk had.
Ten vierde kan ook gewezen worden op het feit dat de “wet op buitenlandse agenten” en diens impact op de situatie van de LGBTQI+-gemeenschap onbesproken blijft.
In deze merkt de Raad op dat de verwerende partij in de bestreden beslissing, minstens in haar nota d.d. 14 januari 2025, slechts op algemene wijze verwijst naar informatie waarin voormelde elementen worden aangehaald. Met een dergelijke louter algemene en ontoereikende verwijzing naar algemene informatie maakt de verwerende partij geenszins duidelijk hoe deze elementen al dan niet in rekening werden gebracht om tot het besluit te komen dat er op heden geen systematische vervolging bestaat van de LGBTQI+-gemeenschap in de Russische Federatie.
Gelet op het feit dat de motivering van de verwerende partij de hoger aangehaalde elementen (zo goed als) volledig onbesproken laat, is het voor de Raad onmogelijk na te gaan of de verwerende partij rekening hield met al deze elementen en ontwikkelingen om te komen tot haar oordeel dat er in de Russische Federatie op heden geen sprake is van een systematische vervolging van de LGBTQI+-gemeenschap, en met andere woorden of het door haar in dit verband gevoerde onderzoek afdoende is. De Raad kan dan ook niet anders dan oordelen dat het door de verwerende partij geleverde onderzoek naar de actuele situatie van de LGBTQI+-gemeenschap in de Russische Federatie in het licht van de door verzoekster aangehaalde elementen niet afdoende is, minstens dat haar motivering hieromtrent gebrekkig en onvolledig overkomt. Dit is problematisch, te meer gelet op de ernst van de situatie die prima facie blijkt uit de door beide partijen bijgebrachte informatie en het belang van dergelijk onderzoek dat daaruit voortvloeit. In deze stipt de Raad aan dat het hem niet toekomt om in het hoofd van de verwerende partij te gaan kijken en te gaan raden hoe zij tot het besluit kwam dat er op heden in de Russische Federatie geen sprake is van een systematische vervolging van de LGBTQI+-gemeenschap, alsook dat het de Raad niet aangewezen lijkt om zelf – op basis van de volheid van rechtsmacht waarover hij in casu beschikt – een alomvattend onderzoek te voeren naar de situatie van de LGBTQI+-gemeenschap in de Russische Federatie en de mogelijkheid tot effectieve en doeltreffende nationale bescherming, gelet op het ontbreken van een onderzoeksbevoegdheid en het belang en de omvang van een dergelijk onderzoek.