Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 328.543 - 19-06-2025

Samenvatting

De Raad stelt vast dat verzoeker ter terechtzitting van 4 juni 2025 een akte van geboorte bijbrengt van zijn dochter Maa. A. M. die op (…) maart 2025 in België is geboren, met als vader verzoeker en als moeder A. Fo. M. (stuk 3 van rechtsplegingsdossier, stuk 10). Verzoeker voert in zijn aanvullende nota van 4 juni 2025 aan dat hij vreest dat zijn dochter in Somalië zal worden onderworpen aan vrouwelijke genitale verminking (VGV).

De Raad merkt op dat op basis van de bijgebrachte stukken niet op ondubbelzinnige wijze kan worden afgeleid welke nationaliteit(en) Maa. A. M. zou bezitten. De Raad benadrukt in deze dat hij geen rechtsmacht heeft om zelf de nationaliteit(en) van Maa. A. M. te bepalen, noch om te beslissen of zij staatloze is. Uit lezing van de bestreden beslissing lijken indicaties naar voor te komen dat Maa. A. M., net als haar broer, over de Somalische nationaliteit zou kunnen beschikken. Zo dit het geval is, kan de Raad geen abstractie maken van de beschikbare landeninformatie, met name het EUAA-rapport “Country Guidance. Somalia” van augustus 2023, waaruit blijkt dat in het geval van meisjes die geen VGV hebben ondergaan de vrees voor vervolging in het algemeen gegrond is. In casu voert verzoeker aan dat zijn dochter nog niet werd besneden.

In de rechtspraak van het Hof van Justitie wordt gesteld dat in het kader van de individuele beoordeling van een verzoek om internationale bescherming rekening moet worden gehouden met de bedreigingen met vervolging en ernstige schade jegens een gezinslid van de verzoeker, teneinde te bepalen of laatstgenoemde wegens zijn familieband met die bedreigde persoon zelf aan dergelijke bedreigingen wordt blootgesteld (HvJ 4 oktober 2018, nr. C-652/16, Ahmedbekova en Ahmedbekov, punt 51).

Verzoeker wijst er in zijn aanvullende nota van 4 juni 2025 terecht op dat infibulatie van jonge meisjes wijdverspreid is, dat dit blijvende lichamelijke en psychologische schade kan veroorzaken en haar fundamentele rechten schendt. Hij betoogt eveneens, zonder hiervoor evenwel een medisch attest voor te leggen, dat de moeder van zijn dochter eveneens slachtoffer is geworden van VGV, wat impliceert dat zijn dochter een hoog risico zou kunnen lopen op besnijdenis.

De vrees voor de besnijdenis van verzoekers dochter betreft in wezen een nieuw element waarmee geen rekening kon worden gehouden in de bestreden beslissing aangezien verzoekers dochter nog niet was geboren op datum van de bestreden beslissing, noch op datum van het indienen van het verzoekschrift. Deze vrees moet evenwel mee in overweging worden genomen teneinde de situatie van verzoeker en zijn kind te kunnen inschatten, gelet op de vereiste van een zorgvuldig en volledig onderzoek.

Artikel 57/1, § 1, eerste lid van de Vreemdelingenwet bepaalt dat een persoon die een verzoek om internationale bescherming indient, wordt vermoed dit verzoek eveneens in te dienen namens de hem vergezellende minderjarige vreemdeling(en) over wie hij het ouderlijk gezag uitoefent en dat dit vermoeden blijft bestaan tot op het moment dat er een definitieve beslissing met betrekking tot het verzoek om internationale bescherming wordt genomen, zo ook tijdens de beroepsprocedure voor de Raad.

Het in België geboren kind is weliswaar geboren na de beslissingen genomen in hoofde van de ouders, maar deze van – minstens – verzoeker is heden, gelet op de beroepsprocedure niet definitief. De Raad merkt evenwel op dat in deze niet kan blijken dat het door verzoeker ingediende beschermingsverzoek mede namens Maa. A. M. is ingediend. Te meer daar uit het administratief dossier blijkt dat de broer van Maa. A. M. – zoon van verzoeker en A. Fo. M. – werd toegevoegd op de bijlage 26 van A. Fo. M. (administratief dossier, map ‘Documenten’, stuk 3) en uit het rechtsplegingsdossier niet kan worden opgemaakt of de beslissing in hoofde van A. Fo. M. al dan niet definitief is.

Op basis van de elementen in het rechtsplegingsdossier kan de Raad, gezien de grenzen van de ondervraging tijdens de terechtzitting en gelet op het ontbreken van verdere onderzoeksbevoegdheid, in de huidige stand van zaken dit nieuwe asielmotief in hoofde van verzoekers minderjarige dochter niet op nuttige wijze evalueren in het kader van een devolutief beroep.