Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 329.081 - 30-06-2025

Samenvatting

De Raad acht zich niet bevoegd om de verweerder te gelasten een positief besluit te nemen ten aanzien van de visumaanvraag van de verzoeker, aangezien dit een inbreuk zou zijn op de beoordelingsbevoegdheid waarover de verweerder in dit verband beschikt (M. LEROY, Contentieux administratif, 4e editie, blz. 899).

Hij is daarentegen van oordeel dat niets eraan in de weg staat dat verweerder wordt verplicht een nieuw besluit te nemen, dat in overeenstemming is met de uitspraak van dit arrest, binnen een termijn die wordt vastgesteld op basis van de omstandigheden van de zaak.

In tegenstelling tot wat de verweerder in zijn memorie van antwoord aanvoert, blijkt een dergelijke maatregel noodzakelijk te zijn om de belangen van de eiser te waarborgen, gezien de relatieve nabijheid van het aanstaande academische jaar en de voorgeschiedenis van de procedure. In dit verband moet erop worden gewezen dat de eiser voor dezelfde visumaanvraag al twee studiejaren heeft verloren, waarvan het laatste als gevolg van de bijzonder lange termijn (meer dan negen maanden) die de verweerder nodig had om een uitspraak te doen na het vonnis tot nietigverklaring, en zonder dat deze zaak bijzondere moeilijkheden opleverde.

Het is derhalve noodzakelijk de verweerder te verplichten de aanvraag opnieuw te behandelen en binnen een bepaalde termijn, die voor de verzoeker zinvol is, een beslissing te nemen, teneinde de belangen van laatstgenoemde in deze zaak te waarborgen.

De argumenten van de verweerder dat de weigering van het visum hem geen schade berokkent, kunnen niet worden aanvaard. Noch voor de opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden handeling, noch voor de voorlopige maatregelen is immers het bewijs van reeds geleden schade vereist: artikel 39/84 van de wet van 15 december 1980 bepaalt immers alleen dat genoemde maatregelen noodzakelijk moeten zijn voor de bescherming van de belangen van de partijen of van personen die belang hebben bij de afhandeling van de zaak. Bovendien is reeds vastgesteld dat de verzoekende partij wel degelijk een belang had bij de opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden handeling en dat een risico op ernstige en moeilijk te herstellen schade in deze zaak als vaststaand moest worden beschouwd.

De Raad ziet evenmin enige grond voor het bezwaar dat de verwerende partij beschikt over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid ten aanzien van visumaanvragen die zijn ingediend op grond van artikel 9 van de wet van 15 december 1980, zoals in de onderhavige zaak.

Het feit dat de wet geen bepaalde termijn voorschrijft voor de behandeling van een visumaanvraag die op deze grond is ingediend, vormt evenmin een beperking van de bevoegdheid van de Raad om voorlopige maatregelen te gelasten overeenkomstig artikel 39/84 van de wet van 15 december 1980.

Aangezien de colleges in oktober aanstaande van start moeten gaan, acht de Raad het redelijk om deze termijn thans vast te stellen op één maand vanaf de betekening van dit arrest.