Samenvatting
Artikel 10 van het Wetboek van de Belgische Nationaliteit (verder WBN) bepaalt:
“§ 1. Belg is het kind geboren in België en dat, op gelijk welk ogenblik voor de leeftijd van achttien jaar of voor de ontvoogding voor die leeftijd, geen andere nationaliteit bezit.
(Het eerste lid zal evenwel niet van toepassing zijn indien het kind een andere nationaliteit kan verkrijgen, mits zijn wettelijke vertegenwoordiger(s) administratieve handelingen verrichten bij de diplomatieke of consulaire overheden van het land van de ouders of van één van hen.)
De wettelijke vertegenwoordiger van het kind zendt alle nuttige stukken waarover hij beschikt over aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar het kind geboren is. In geval van twijfel over het ontbreken van nationaliteit van het kind, vraagt de ambtenaar van de burgerlijke stand het advies van de procureur des Konings. In dat geval zendt hij hem een afschrift van het dossier. Het advies wordt op korte termijn verstrekt door de procureur des Konings.
§ 2. Het in België gevonden pasgeboren kind wordt, behoudens tegenbewijs, verondersteld in België te zijn geboren.
§ 3. Het kind aan wie de Belgische nationaliteit krachtens dit artikel is toegekend, behoudt die nationaliteit zolang niet is aangetoond, voordat het de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt of ontvoogd is voor die leeftijd, dat het een vreemde nationaliteit bezit.”
Uit artikel 10, § 1, derde lid, WBN, volgt duidelijk dat de ambtenaar van de burgerlijke stand bevoegd is om te beslissen over de toekenning van de Belgische nationaliteit. Desgevallend kan hij het advies van de procureur des Konings vragen. De ambtenaar van burgerlijke stand is als enige bevoegd om de akte van nationaliteit op te stellen. De artikelen 22, 23, 23/1 en 23/2 WBN bepalen onder welke voorwaarden de Belgische nationaliteit verloren gaat of vervallen wordt verklaard.
Aldus blijkt dat de toekenning van de Belgische nationaliteit door de ambtenaar van de burgerlijke stand een constitutief recht is, dat enkel onder de bij wet voorziene voorwaarden kan worden afgenomen.
Uit de gegevens van het administratief dossier blijkt dat de Dienst Vreemdelingenzaken van oordeel was dat de referentiepersoon niet voldeed aan de voorwaarden tot toekenning van de Belgische nationaliteit. Nadat zij hiervan de ambtenaar van de burgerlijke stand en de procureur des Konings van haar zienswijze heeft ingelicht, informeerde de burgerlijke stand van Antwerpen dat besloten werd om de Belgische nationaliteit van de referentiepersoon te behouden. Aangezien de nationaliteit een constitutief recht betreft, kon de verwerende partij niet beslissen de Belgische nationaliteit van de referentiepersoon niet te erkennen, als betrof het een de plano (niet-) erkenning van een buitenlandse akte.
Verzoekster voert dan ook terecht aan dat: “(d)e Dienst Vreemdelingenzaken kan niet beoordelen of iemand al dan niet een bepaalde nationaliteit heeft, maar heeft wel een informatieplicht, bijvoorbeeld als er een paspoort in een dossier zit. Wat een gemeente doet met de informatie van de DVZ, is dus zaak van de gemeente alleen en niet van de DVZ.” (Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, Integraal verslag met vertaald beknopt verslag, Commissie voor Binnenlandse Zaken, Veiligheid, Migratie en Bestuurszaken, 10 januari 2024, Kamer, 6e zitting van de 55e zittingsperiode, CRIV 55 COM 124, pg. 15, op https://www.dekamer.be/doc/CCRI/pdf/55/ic1241.pdf ).
Het determinerend motief van de bestreden beslissing, met name dat de referentiepersoon geen Belg zou zijn, vindt bijgevolg geen steun in de gegevens van het administratief dossier. Verzoekster maakt een schending van de materiële motiveringsplicht aannemelijk.
(…)
De verwerende partij herhaalt het standpunt dat zij aan de burgerlijke stand en aan het parket van Antwerpen te kennen gaf. Zoals de verwerende partij terecht opmerkt, is het haar niet verboden om haar standpunt daarover te kennen te geven aan de bevoegde instanties. Dit wijzigt evenwel niets aan de vaststelling dat de ambtenaar van de burgerlijke stand heeft besloten de Belgische nationaliteit van de referentiepersoon te behouden. Deze communicatie bevindt zich in het administratief dossier. Het motief dat de referentiepersoon geen Belg zou zijn vindt bijgevolg geen steun in het administratief dossier.
De verwerende partij verwijst naar artikel 10, § 3, dat bepaalt dat het kind de nationaliteit behoudt “zolang niet is aangetoond, voordat het de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt of ontvoogd is voor die leeftijd, dat het een vreemde nationaliteit bezit.”
Die bepaling doet evenwel geen afbreuk aan de bevoegdheden van de ambtenaar van de burgerlijke stand en houdt niet in dat elke Belgische overheid de bevoegdheid zou hebben om niet langer de Belgische nationaliteit van de betrokken persoon te erkennen wanneer zij hierover van mening verschilt.