Samenvatting
Verzoeker kan niet worden bijgetreden waar hij geenszins ontkent dat de feiten die hij pleegde ernstig zijn, maar betoogt dat deze feiten geen ernstig misdrijf zijn in de zin van de in artikel 55/4 van de Vreemdelingenwet voorziene uitsluitingsgrond. Zoals hierboven uiteengezet wordt het begrip ernstig misdrijf noch in de Vreemdelingenwet noch in Richtlijn 2011/95 EU gedefinieerd, maar dient overeenkomstig de hoger geciteerde rechtspraak het ernstig karakter van het gepleegde misdrijf te worden beoordeeld aan de hand van meerdere criteria, waaronder de aard van het gepleegde feit, de schade die werd teweeggebracht, de gevolgde strafprocedure, de aard van de straf en de vraag of de meeste rechterlijke instanties het gepleegde feit ook als een ernstig misdrijf zouden aanmerken.
Wat de aard van het gepleegde feit betreft, blijkt uit het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg en het arrest van de Hof van Beroep dat verzoeker een prostitué een vuistslag gaf toen zij bijkomende betaling vroeg aan verzoeker en dat daarop een discussie ontstond met de kennissen die hem vergezelden. Verzoekers slachtoffer wilde wegwandelen toen hij hem vier maal met een mes in de rug stak en een dodelijke afloop kon worden verijdeld door een snelle medische tussenkomst. Het Hof van Beroep van Gent bestempelt de door verzoeker gepleegde feiten als “uitermate ernstig en verwerpelijk” en stelt dat verzoeker blijk heeft gegeven van een bijzondere maatschappelijke gevaarlijkheid.
Het staat buiten kijf dat het moedwillig toebrengen van messteken die zonder snel chirurgisch ingrijpen de dood tot gevolg hadden kunnen hebben als een ernstig misdrijf dient te worden beschouwd. Het gaat om een aanslag op de fysieke integriteit van een persoon die blijkens de beschrijving van de feiten in het vonnis en het arrest tussenkwam toen de prostitué naar buiten liep toen zij door verzoeker geslagen werd.
Voorts blijkt uit het arrest van 13 december 2023 dat het Hof van Beroep oordeelde dat de door de rechtbank van eerste aanleg opgelegde straf, deels opgelegd met de gunst van probatie-uitstel, geen afdoende krachtig signaal uitmaakte om verzoeker het besef bij te brengen dat het gebruik van messen in een geciviliseerde samenleving niet kan worden geciviliseerd en hem veroordeelde tot een hoofdgevangenisstraf van 5 jaar. Dat het om één veroordeling gaat en dat hij voor zijn veroordeling over een blanco strafblad beschikte, een element waarmee ook in het arrest van het Hof van Beroep van Gent wordt rekening gehouden, doet geen afbreuk aan de pertinente vaststelling in de bestreden beslissing dat verzoeker werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaar voor een ernstig misdrijf. Waar verzoeker wijst op zijn jonge leeftijd en gebrek aan enig netwerk bij aankomst in België, het feit dat de feiten zijn gepleegd onder invloed van alcohol en hij nu antabuse gebruikt doet dit evenmin afbreuk aan de veroordeling wegens een ernstig misdrijf. Het arrest van het Hof van Beroep verwijst naar alcohol als “bevorderende factor” van het gepleegde misdrijf en het alcoholmisbruik als de enige behandelbare risicofactor. Verzoeker geeft zelf aan dat het alcoholmisbruik geen excuus is maar waar hij stelt dat het een belangrijke verklarende factor is, doet dit geen afbreuk aan het feit dat hij zelf verantwoordelijk is voor zijn daden en evenmin aan de ernst van het door verzoeker gepleegde misdrijf en kan het feit dat het . Overigens kan in het evolutieverslag aan de Strafuitvoeringsrechtbank van Gent worden gelezen dat verzoeker eerlijk stelt niet elke dag antabuse te nemen omdat hij het niet nodig acht aangezien hij geen alcohol drinkt en dit ook nooit meer zal doen, wat volgens het verslag technisch gezien betekent dat hij de afspraak rond antabuse inname niet naleeft al wordt tegelijk gesteld dat het op dit ogenblik geen verhoogd risico lijkt mee te brengen. De Raad is van oordeel dat de door verzoeker aangehaalde elementen onvoldoende zwaarwichtig zijn en geen ander licht kunnen werpen op de ernst van de door verzoeker gepleegde feiten.
Verzoeker wijst nog op zijn positief reclasseringstraject sinds de feiten en de beslissing van de Strafuitvoeringsrechtbank van 19 februari 2025 waarbij elektronisch toezicht onder voorwaarden werd toegestaan en de eerdere beslissing van de Directie Detentiebeheer om penitentiair verlof toe te kennen aan verzoeker en zijn tewerkstelling als schoonmaker. Hij brengt ook verschillende stukken bij waaruit zijn tewerkstelling blijkt en het feit dat hij zich psychologisch liet begeleiden. Hoewel deze elementen lovenswaardig zijn dient erop gewezen te worden dat zij enerzijds de strafuitvoering betreffen en anderzijds zijn inspanningen om zich in de maatschappij te reïntegreren, maar geen afbreuk doen aan het feit dat hij in 2023 definitief veroordeeld werd tot vijf jaar gevangenisstraf wegens het plegen van een ernstig misdrijf.
De Raad herinnert er ten overvloede aan dat geen van deze door verzoeker aangehaalde elementen heden ter beoordeling voorliggen. Zij verhinderen niet dat er toepassing wordt gemaakt van artikel 55/5/1, § 2, 1°, van de Vreemdelingenwet. De Raad spreekt zich in casu immers niet uit over een maatregel tot verwijdering, noch over verzoekers verblijfsstatus. Hij gaat enkel na of er in hoofde van verzoeker al dan niet terecht werd besloten tot de intrekking van de subsidiaire beschermingsstatus op basis van de voormelde bepaling.
Indien verzoeker meent op basis van de voormelde elementen recht te hebben op een verblijfsstatus in België, dient hij zich voor de beoordeling van deze elementen te richten tot andere daartoe voorziene procedures. In de mate dat verzoeker nog zou verwijzen naar het laag recidive risico, herhaalt de Raad dat de subsidiaire beschermingsstatus werd ingetrokken omdat er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat hij een ernstig misdrijf heeft gepleegd zoals bedoeld artikel 55/4, § 1, eerste lid, c), van de Vreemdelingenwet. Noch uit de wet, noch uit de voorbereidende werken blijkt dat de toepassing van deze bepaling vereist dat een actueel of toekomstig gevaar voor de samenleving wordt aangetoond.
Rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak, treedt de Raad de commissaris-generaal bij in het standpunt dat er in casu ernstige redenen zijn om het door verzoeker gepleegde misdrijf te kwalificeren als een ernstig misdrijf in de zin van artikel 55/4, § 1, eerste lid, c), van de Vreemdelingenwet. Verzoekers handelingen zijn geenszins te verzoenen met de humanitaire inslag van het subsidiaire beschermingsstatuut en de daaruit voortvloeiende internationale bescherming. Deze vaststelling volstaat in beginsel om, steunend op artikel 55/5/1, § 2, 1°, van de Vreemdelingenwet, over te gaan tot intrekking van de aan verzoeker op 6 januari 2021 toegekende subsidiaire beschermingsstatus.