Samenvatting
Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij een bijlage 19ter heeft ondertekend op 9 juli 2024. Hierin worden de door de verzoekende partij voorgelegde documenten opgesomd. Nergens uit deze bijlage 19ter blijkt dat aan de verzoekende partij gevraagd werd om binnen de drie maanden na het indienen van de aanvraag bijkomende documenten voor te leggen. Integendeel, de desbetreffende bepaling in de bijlage 19ter, waarin de bewijsdocumenten worden opgesomd die de aanvrager binnen de gestelde termijn dient over te maken, werd integraal doorgehaald. Nu de verzoekende partij in het kader van de bijlage 19ter niet werd gevraagd om bijkomende documenten over te maken, en uit het administratief dossier evenmin blijkt dat zij op een later tijdstip werd uitgenodigd om aanvullende stukken neer te leggen, kan haar niet worden verweten dat zij niet reeds bij het indienen van haar aanvraag, dan wel binnen de drie daaropvolgende maanden, een kopie van haar verloren geraakt paspoort en het daarin vervatte visum heeft voorgelegd, maar enkel haar nieuw afgeleverd paspoort, zijnde het enige geldige reisdocument waarover zij op dat moment beschikte, heeft voorgelegd.
Uit de gegevens vervat het administratief dossier blijkt verder dat de verzoekende partij bij haar aanvraag een paspoort had gevoegd, afgeleverd door het Marokkaans consulaat te Antwerpen op 25 maart 2024 en geldig tot 25 maart 2029. In de bestreden beslissing wordt gesteld dat aan de hand van dit paspoort niet met zekerheid kan opgemaakt worden wanneer de verzoekende partij de Schengen is binnen gereisd. De Raad stelt evenwel vast dat dit paspoort op Belgisch grondgebied werd uitgereikt en bovendien geen enkel inreisvisum, noch enige in- of uitreisstempel bevatte. Gelet op deze vaststellingen had een zorgvuldig handelend bestuur moeten vaststellen dat dit paspoort niet het paspoort kon zijn waarmee de verzoekende partij het Schengengebied was binnengekomen. Immers, gezien de datum en plaats van afgifte kan niet anders dan besloten worden dat de verzoekende partij zich reeds vóór de uitreiking van dit paspoort in de Schengenzone bevond. Bijgevolg had het voor de gemachtigde duidelijk moeten zijn dat haar binnenkomst in het Schengengebied met een ander – eerder uitgereikt – paspoort had plaatsgevonden.
Nu uit de bijlage 19ter onmiskenbaar blijkt dat aan de verzoekende partij niet werd meegedeeld dat zij, naast het voorleggen van een geldig paspoort, ook een geldig inreisvisum diende over te maken, en uit de gegevens vervat in dat paspoort redelijkerwijze kon afgeleid worden dat zij niet met het door haar voorgelegd paspoort het Schengengebied was binnengekomen, mocht van een zorgvuldig handelende overheid worden verwacht dat zij zich ervan vergewiste of de verzoekende partij nog in het bezit was van het paspoort waarmee zij wél naar het Schengengebied was gereisd, teneinde te kunnen nagaan of dat document een geldig inreisvisum bevatte, zodat zij met kennis van zaken over de aanvraag kon beslissen.
Daar de bestreden beslissing uitsluitend steunt op het ontbreken van een geldig inreisvisum in het voorgelegde paspoort — een element waarvan de verzoekende partij bij het indienen van haar aanvraag, gelet op de inhoud van de bijlage 19ter, redelijkerwijze niet kon vermoeden dat dit een doorslaggevend element zou zijn in de beoordeling van haar aanvraag —, had de gemachtigde de verzoekende partij, vóór het nemen van de beslissing, in de gelegenheid moeten stellen het betreffende bewijsstuk alsnog binnen een korte, doch redelijke termijn over te maken. Dit klemt des te meer nu de verzoekende partij in voorliggend verzoekschrift aantoont dat zij wel degelijk in het bezit is van een geldig inreisvisum.