Samenvatting
De eerste bestreden beslissing is genomen op grond van artikel 10, §1, eerste lid, 7° van de Vreemdelingenwet. Deze bepaling luidt op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing als volgt:
“Onder voorbehoud van de bepalingen van artikelen 9 en 12, zijn van rechtswege toegelaten om meer dan drie maanden in het Rijk te verblijven :
7° de ouders van een minderjarige vreemdeling die als begunstigde van een internationale beschermingsstatus dan wel overeenkomstig artikel 57/45 tot een verblijf in het Rijk is toegelaten, die met hem komen samenleven alvorens hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en op voorwaarde dat de vreemdeling die vervoegd wordt het Rijk is binnengekomen zonder begeleiding van een krachtens de wet verantwoordelijke meerderjarige vreemdeling en vervolgens niet daadwerkelijk onder de hoede van een dergelijke persoon gestaan heeft, of zonder begeleiding werd achtergelaten nadat hij het Rijk is binnengekomen.
Indien de vreemdeling die vervoegd wordt, de leeftijd van achttien jaar bereikte gedurende of kort na diens procedure tot bekomen van internationale bescherming dan wel diens procedure tot bekomen van de toelating tot verblijf overeenkomstig artikel 57/45, kan de aanvraag tot gezinshereniging worden ingediend tot drie maanden na de beslissing tot toekenning van de internationale beschermingsstatus dan wel de beslissing tot toelating tot verblijf overeenkomstig artikel 57/45.
De minister of zijn gemachtigde houdt bij de beoordeling van de laatstgenoemde termijn van drie maanden, rekening met bijzondere omstandigheden dewelke de laattijdige indiening van de aanvraag objectief verschoonbaar maken;”
De verzoekende partij kan gevolgd worden waar zij betoogt dat de eerste bestreden beslissing stelt dat er een voorwaarde van effectieve samenwoning vervat is in artikel 10, §1, eerste lid, 7° van de Vreemdelingenwet doch dat de tekst zelf van deze bepaling echter enkel “komen samenleven” als voorwaarde vermeldt en het niet heeft over samenwoning.
Zij kan eveneens gevolgd worden waar zij stelt dat de memorie van toelichting aangeeft dat het expliciet niet de bedoeling is om een voorwaarde van samenwoning op te leggen aan meerderjarig geworden gezinsherenigers.
Immers blijkt uit de voorbereidende werken onder meer wat volgt: “De wijziging onder f), aangebracht aan artikel 10, § 1, eerste lid, onder 7° van de wet van 15 december 1980, heeft hoofdzakelijk tot doel deze bepaling in overeenstemming te brengen met de rechtspraak van het Hof van Justitie inzake het recht op gezinshereniging in hoofde van de bloedverwanten in opgaande lijn van een minderjarige begunstigde van internationale bescherming die het Rijk is binnengekomen zonder begeleiding van een krachtens de wet verantwoordelijke meerderjarige dan wel zonder begeleiding werd achtergelaten nadat hij het Rijk is binnengekomen. (…)
Tevens, verduidelijkte het Hof van Justitie in de latere zaken C-273/20 en C-355/20 (dd. 01/08/2022) dat het recht op gezinshereniging in de situatie dat de niet begeleide minderjarige begunstigde meerderjarig werd tijdens of kort na diens asielprocedure en de aanvraag gezinshereniging werd ingediend binnen de redelijke termijn van drie maanden, niet kan onderworpen worden aan een strikte voorwaarde van samenwoonst.
“2) Artikel 16, lid 1, onder b), van Richtlijn 2003/86 moet aldus worden uitgelegd dat, om in het geval van gezinshereniging van een ouder met een als vluchteling erkend minderjarig kind te kunnen spreken van een werkelijk gezinsleven in de zin van deze bepaling wanneer dit kind meerderjarig is geworden vóór het besluit op het door die ouder ingediende verzoek tot toegang en verblijf met het oog op gezinshereniging, bloedverwantschap van de eerste graad in rechtstreekse opgaande lijn op zich niet volstaat. Het is echter niet noodzakelijk dat het gezinsherenigende kind en de betrokken ouder, wil die ouder in aanmerking komen voor gezinshereniging, deel uitmaken van hetzelfde huishouden of onder hetzelfde dak leven. Incidentele bezoeken, voor zover mogelijk, en regelmatige contacten van welke aard dan ook, kunnen volstaan om aan te nemen dat deze personen persoonlijke en affectieve betrekkingen aan het herstellen zijn en om aan te tonen dat er sprake is van een werkelijk gezinsleven. Voorts kan evenmin worden verlangd dat het gezinsherenigende kind en zijn ouder elkaar financieel ondersteunen.”
Volgens het Hof van Justitie kan in voorkomend geval niet vereist worden dat de ouders in België komen samenwonen met het ondertussen meerderjarig geworden kind, maar volstaat het dat zij een daadwerkelijk gezinsleven onderhouden op het Belgische grondgebied. Het daadwerkelijk karakter van het gezinsleven wordt aangetoond aan de hand van de regelmaat van de contacten die aantonen dat de persoonlijke en affectieve banden hersteld worden.” (Memorie van toelichting bij Wetsontwerp van 29 september 2023 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen inzake het recht op gezinshereniging, Parl.St. Kamer, 2022-23, doc. nr. 55-3596/001, p. 17 en 19)
Daar de aanvraag van de eerste verzoekende partij geweigerd wordt uitsluitend omdat niet voldaan is aan de voorwaarde van effectieve samenwoning omwille van het feit dat de referentiepersoon opgesloten is in de gevangenis, doch deze voorwaarde niet vervat is in artikel 10, §1, eerste lid, 7° van de Vreemdelingenwet en uit de voorbereidende werkzaamheden bovendien blijkt dat niet kan vereist worden dat de ouders in België komen samenwonen met het ondertussen meerderjarig geworden kind, kan de verzoekende partij gevolgd worden dat de eerste bestreden beslissing artikel 10, §1, eerste lid, 7° van de Vreemdelingenwet schendt.
Het betoog in de verweernota dat indien het visum zou worden toegekend de verzoekende partij en de referentiepersoon niet met elkaar zouden kunnen ‘samenleven’ in België, daar de referentiepersoon in de gevangenis verblijft en zijn leven zich momenteel binnen de gevangenismuren afspeelt, dat los van de discussie dat de verzoekende partij niet moet aantonen deel uit te maken van hetzelfde huishouden of onder hetzelfde dak te zullen leven als de referentiepersoon in België, vast te stellen is dat de verzoekende partij geenszins aantoont dat zij een werkelijk gezinsleven kan onderhouden in België met de referentiepersoon wanneer die referentiepersoon van zijn vrijheid is benomen en alhier in de gevangenis verblijft, betreft een a posteriori motivering die niet in de bestreden beslissing(en) terug te vinden is en geen afbreuk doet aan de voormelde vaststelling dat de aanvraag van de eerste verzoekende partij wordt geweigerd op grond van het niet voldaan zijn aan een voorwaarde van artikel 10, §1, eerste lid, 7° van de Vreemdelingenwet, doch dat een dergelijke voorwaarde niet in voormelde bepaling kan gelezen worden.
Betreffende de tweede bestreden beslissing
De zorgvuldigheidsplicht legt de overheid onder meer op om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en ervoor te zorgen dat de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk onderzocht worden, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen (RvS 22 november 2012, nr. 221.475).
Artikel 9 van de Vreemdelingenwet bepaalt als volgt:
“Om langer dan de in artikel 6 bepaalde termijn in het Rijk te mogen verblijven, moet de vreemdeling die zich niet in een der in artikel 10 voorziene gevallen bevindt, daartoe gemachtigd worden door de Minister of zijn gemachtigde. Behoudens de in een internationaal verdrag, in een wet of in een koninklijk besluit bepaalde afwijkingen, moet deze machtiging door de vreemdeling aangevraagd worden bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland.”
Artikel 13, §1, eerste lid van de Vreemdelingenwet luidt verder als volgt:
“Behalve indien dit uitdrukkelijk anders wordt voorzien, wordt de machtiging tot verblijf verleend voor een beperkte tijd, ingevolge deze wet of ingevolge specifieke omstandigheden die betrekking hebben op de betrokkene of ingevolge de aard of de duur van zijn activiteiten in België.”
Noch in artikel 9 van de Vreemdelingenwet noch in artikel 13 van deze wet wordt voorzien in criteria waaraan de in het buitenland verblijvende aanvrager dient te voldoen om een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden te verkrijgen. Bijgevolg beschikt de verwerende partij ter zake over een ruime discretionaire bevoegdheid en het verlenen van een machtiging tot verblijf is geen recht maar een gunst. Dit neemt echter niet weg dat de verwerende partij hierbij het zorgvuldigheidsbeginsel, als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, moet eerbiedigen.
De verzoekende partij kan gevolgd worden dat de artikelen 9 en 13 van de Vreemdelingenwet geen ‘vereiste’ stellen van effectieve samenwoonst.
Het betoog in de verweernota doet aan voormelde vaststelling geen afbreuk.
Een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel in het licht van de artikelen 9 en 13 van de
Vreemdelingenwet wordt aannemelijk gemaakt.