Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 330.211 - 18-07-2025

Samenvatting

Verzoekster wijst er in het verzoekschrift op basis van landeninformatie op dat huiselijk geweld in Colombia toeneemt en een wijdverspreid fenomeen is, dat de straffeloosheid voor geweldsdelicten tegen vrouwen erg hoog is en dat er corruptie heerst in het rechtssysteem in Colombia. Hoewel het rechtssysteem in Colombia blijft kampen met corruptie, het vertrouwen in justitie laag is en de Fiscaliá er bijvoorbeeld veelal niet in slaagt om alle ingediende klachten te vervolgen en alle daders veroordeeld te krijgen, blijkt uit de beschikbare landeninformatie niet dat elke procedure om overheidsbescherming te verkrijgen bij voorbaat zinloos dan wel ondoeltreffend of zelfs gevaarlijk zou zijn of dat er geen enkele overheidsbescherming toegankelijk zou zijn waar redelijke maatregelen tot voorkoming van vervolging of het lijden van ernstige schade worden getroffen. 

Er kan dan ook worden besloten dat het Colombiaanse rechtssysteem niet perfect is, maar dat kan worden aangenomen dat de Colombiaanse overheden in het algemeen bescherming kunnen en willen bieden. Uit de beschikbare landeninformatie kan niet blijken dat beroep doen op overheidsbescherming via het indienen van een klacht wegens huiselijk of partnergeweld in alle gevallen onmogelijk of ondoeltreffend zou zijn in de zin van artikel 48/5 van de Vreemdelingenwet, dat geen absolute bescherming vereist.

De Raad benadrukt tevens dat de bescherming die de nationale overheid biedt, daadwerkelijk moet zijn. Ze hoeft echter niet absoluut te zijn en bescherming te bieden tegen elk feit begaan door derden (RvS 21 februari 2007, nr. 168.034). De autoriteiten hebben de plicht om burgers te beschermen, maar deze plicht houdt geenszins een resultaatsverbintenis in (RvS 12 februari 2014, nr. 226.400). Geen enkele rechtsstaat kan er overigens in slagen een absolute bescherming te bieden.

Verzoekster verwijst in haar aanvullende nota van 10 april 2025 naar het beleid van de Nederlandse overheid dat voor ‘vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te vrezen hebben voor gendergerelateerd geweld’ wordt aangenomen dat zij geen bescherming kunnen krijgen van de Colombiaanse autoriteiten (stukken 1 en 2, bij aanvullende nota van 10 april 2025). De Raad wijst er echter op dat de beleidskeuzes van andere EU-lidstaten, waaronder Nederland, niet bindend zijn voor de besluitvorming door de Belgische asielinstanties ten aanzien van individuele verzoeken om internationale bescherming. 

Verzoekster toont niet concreet aan dat het voor haar niet mogelijk zou zijn om zich te beroepen op beschermingsmogelijkheden in Colombia.