Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 330.321 - 23-07-2025

Samenvatting

De Raad stelt vast dat in de bestreden beslissingen niet wordt betwist dat de visumaanvragen werden ingediend door de echtgenote zowel voor zichzelf, als voor de minderjarige kinderen van de referentiepersoon. Er blijkt eveneens uit het administratief dossier dat de referentiepersoon in het kader van zijn procedure om internationale bescherming melding heeft gemaakt van verzoekster en diens minderjarige kinderen (’verklaring DVZ’ van 27 september 2022, p. 8 en 9).

Het beschermingswaardig gezinsleven tussen gehuwden wordt vermoed. In casu blijkt dat verzoekster bij haar visumaanvraag een vertaling van de huwelijksakte heeft voorgelegd. Eveneens wordt het beschermingswaardig gezinsleven in het licht van artikel 8 van het EVRM tussen een vader en diens minderjarige kinderen vermoed. Immers uit artikel 8 van het EVRM volgt dat een kind geboren uit een huwelijk of binnen een samenwonend koppel, ipso iure deel uitmaakt van die relatie (EHRM 8 januari 2009, nr. 10606/07, Joseph Grant v. Verenigd Koninkrijk, par. 30). Vanaf het moment van de geboorte en wegens dat feit zelf, bestaat er tussen het minderjarig kind en zijn ouder een band die gelijkstaat met “gezinsleven”. Om een voldoende graad van ‘gezinsleven’ vast te stellen is samenwoning van ouder en het minderjarig kind niet noodzakelijk vereist (EHRM 24 april 1996, nr. 22070/93, Boughanemi v. Frankrijk, par. 35) en wordt de band tussen een ouder en een minderjarig kind slechts in uitzonderlijke omstandigheden als ‘verbroken’ worden beschouwd. (EHRM 24 april 1996, nr. 22070/93, Boughanemi v. Frankrijk, § 35. EHMR 19 februari 1996, nr. 23218/94, Gül v. Zwitserland, § 32; EHRM 24 april 1996, nr. 21794/93, C. v. België, § 25; EHRM 11 juli 2000, Ciliz/Nederland §60).

Nu het beschermingswaardig gezinsleven vaststaat, diende de gemachtigde in casu over te gaan tot een belangenafweging in het licht van artikel 8 van het EVRM, hetgeen de Raad niet kan vaststellen in de bestreden beslissingen, zoals verzoekster terecht aanstipt. Zoals supra gesteld, kan de Raad niet overgaan tot een beoordeling in de plaats van de gemachtigde.

Een schending van (het procedurele luik van) artikel 8 van het EVRM, wordt in de aangegeven mate aangenomen.

In de nota met opmerkingen stelt verweerder enkel dat verzoekster niet dienstig naar het bepaalde in artikel 8 van het EVRM kan verwijzen, omdat de toetsing aan artikel 8 van het EVRM reeds zou zijn doorgevoerd in de nationale wettelijke bepalingen. De Raad kan deze redenering niet op absolute wijze volgen, aangezien dit niet strookt met de relevante rechtspraak van het Hof van Justitie of het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM). Zo heeft het Hof van Justitie reeds in Grote Kamer in zijn arrest van 27 juni 2006, in de zaak C-540/03 (Europees Parlement tegen Raad van de Europese Unie) in het licht van de richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging, richtlijn die thans ook aan de orde is nu artikel 10 §2, 5e lid van de Vreemdelingenwet een omzetting vormt van artikel 12, 1, 3° van die richtlijn, gewezen op het belang van artikel 8 van het EVRM. Zo stelde het Hof: “Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat het recht op eerbiediging van het gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM deel uitmaakt van de grondrechten die volgens vaste rechtspraak van het Hof in de communautaire rechtsorde worden beschermd (reeds aangehaalde arresten Carpenter, punt 41, en Akrich, punten 58 en 59). Dit recht om samen te leven met zijn naaste verwanten brengt voor de lidstaten verplichtingen mee die negatief kunnen zijn, wanneer één van de lidstaten een persoon niet mag uitzetten, of positief, wanneer hij verplicht is een persoon toe te laten op zijn grondgebied en er te laten verblijven.

53 Zo heeft het Hof geoordeeld dat ook al waarborgt het EVRM het recht van een buitenlander om een bepaald land binnen te komen of er te verblijven niet als een grondrecht, het uitsluiten van een persoon uit een land waar zijn naaste verwanten wonen, een inmenging kan zijn in het recht op eerbiediging van het gezinsleven zoals dit wordt beschermd door artikel 8, lid 1, EVRM  reeds aangehaalde arresten Carpenter, punt 42, en Akrich, punt 59)

54 Zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld in § 31 van zijn arrest Sen v. Nederland van 21 december 2001, kan voorts „artikel 8 [EVRM] positieve verplichtingen meebrengen die inherent zijn aan een daadwerkelijke ,eerbiediging’ van het gezinsleven. De op dergelijke verplichtingentoepasselijke beginselen zijn vergelijkbaar met die welke gelden voor negatieve verplichtingen. In beide gevallen moet rekening worden gehouden met het juiste evenwicht dat tot stand moet worden gebracht tussen de concurrerende belangen van het individu en de samenleving in haar geheel; in beide gevallen beschikt de staat over een bepaalde beoordelingsmarge (arresten Gül [v. Zwitserland van 19 februari 1996, Recueil des arrêts et décisions, 1996-I], blz. 174, § 38, en Ahmut [v. Nederland van 28 november 1996, Recueil des arrêts et décisions, 1996-VI, blz. 2030], § 63)”.”

Uit het voorgaande blijkt dat ook in het licht van een aanvraag om gezinshereniging, zoals in casu, het Hof van Justitie het belang heeft erkend van een eventuele positieve verplichting in het licht van artikel 8 van het EVRM en er moet rekening worden gehouden met het juiste evenwicht dat tot stand moet worden gebracht tussen de concurrerende belangen van het individu en de samenleving in haar geheel; waarbij de staat over een bepaalde beoordelingsmarge beschikt. In casu werd evenwel geen belangenafweging gedaan aangaande het juiste evenwicht tussen de concurrerende belangen van verzoekster en haar kinderen enerzijds en het belang van de samenleving anderzijds.

Ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft zich reeds herhaaldelijk over een opgeworpen schending van artikel 8 van het EVRM in het licht van gezinshereniging met erkende vluchtelingen uitgesproken. Zo blijkt onder meer uit de zaak Tanda-Muzinga t. Frankrijk van 10 juli 2014 dat het EHRM heeft gesteld dat: “65. La Cour a reconnu que les États ont le droit, sans préjudice des engagements découlant pour eux de traités, de contrôler l’entrée et le séjour des étrangers sur leur sol. L’article 8 n’emporte pas une obligation générale pour un État de respecter le choix par des immigrants de leur pays de résidence et de permettre le regroupement familial sur son territoire (Abdulaziz, Cabales et Balkandali c. Royaume-Uni, 28 mai 1985, § 67, série A no 94 ; Berisha c. Suisse, no 948/12, § 49, 30 juillet 2013). 66. Cela dit, dans une affaire qui concerne la vie familiale aussi bien que l’immigration, l’étendue des obligations pour l’État varie en fonction de la situation particulière de la personne concernée et de l’intérêt général. Les facteurs à prendre en considération dans ce contexte sont la mesure dans laquelleil y a effectivement entrave à la vie familiale, l’étendue des liens que les personnes concernées ont avec l’État contractant en cause, la question de savoir s’il existe ou non des obstacles insurmontables à ce que la famille vive dans le pays d’origine d’une ou plusieurs des personnes concernées et celle de savoir s’il existe des éléments touchant au contrôle de l’immigration ou des considérations d’ordre public pesant en faveur d’une exclusion (Rodrigues da Silva et Hoogkamer c. Pays-Bas, no 50435/99, § 39, CEDH 2006-I ; Antwi et autres c. Norvège, no 26940/10, §§ 88-89, 14 février 2012).” Uit het voorgaande blijkt dat het EHRM herhaalt dat lidstaten het recht hebben om de toegang en het verblijf van vreemdelingen op hun grondgebied te controleren en dat artikel 8 geen algemene verplichting inhoudt om de keuze van migranten van hun land van verblijf te volgen, maar dat toch rekening moet gehouden worden met de individuele situatie van de betrokken persoon enerzijds en het algemeen belang anderzijds. De factoren waarmee in dit verband rekening moet worden gehouden, zijn de mate waarin het gezinsleven daadwerkelijk wordt belemmerd, de omvang van de banden die de betrokken personen hebben met de betrokken verdragsluitende staat, de vraag of er al dan niet onoverkomelijke belemmeringen zijn voor het gezin om in het land van herkomst van een of meer van de betrokken personen te wonen, en de vraag of er factoren zijn die verband houden met immigratiecontrole of overwegingen van openbare orde die pleiten voor uitsluiting. In casu heeft verzoekster concreet aangevoerd dat haar man en vader van hun minderjarige kinderen in België erkend is als vluchteling en dat hij bijgevolg in de onmogelijkheid is om terug te keren. De Raad stelt inderdaad vast dat dit een pertinent element is het kader van een belangenafweging in het licht van artikel 8 van het EVRM, dat in casu niet is gebeurd, hetgeen volgens het EHRM nochtans wel vereist is.

Ten overvloede blijkt meer specifiek dat het EHRM in de voormelde zaak Tanda-Muzinga een onderzoek heeft gedaan naar het beslissingsproces en de snelheid waarmee de staat heeft gehandeld. Thans blijkt uit het administratief dossier dat de referentiepersoon sedert 16 november 2023 tevergeefs trachtte een afspraak te bekomen voor het (tijdig) indienen van de visumaanvragen op de bevoegde Belgische ambassade in Teheran. De Raad kan verweerder in de nota wel volgen dat de gemachtigde hier voor het nemen van de thans bestreden beslissingen niet van op de hoogte bleek.

Tot slot stelt de Raad ook vast dat de Raad van State relatief recent nog in zijn arrest nr. 261 958 van 10 januari 2025 het belang van artikel 8 van het EVRM heeft erkend in het kader van visumweigeringen waarbij de Raad van State heeft verwezen naar het arrest MN en anderen tegen België van het EHRM van 5 maart 2020. In het voormelde arrest heeft de Raad van State bevestigd dat uit het arrest MN blijkt dat zaken die met name betrekking kunnen hebben op beslissingen die zijn genomen ten aanzien van vreemdelingen die zich buiten de grenzen van de verwerende staat bevinden, in het licht van artikel 8 van het EVRM, onder de jurisdictie van die staat kunnen vallen wanneer er een band bestaat die voortvloeit uit een reeds bestaand gezins- of privéleven, dat de betrokken staat verplicht is te beschermen. In casu bestond er reeds een gezinsleven met de referentiepersoon, vooraleer België hem als vluchteling heeft erkend, zodat volgens deze rechtspraak verzoekster wel dienstig naar artikel 8 van het EVRM kan verwijzen.