Samenvatting
Het verblijfsrecht van een Libanese man met zijn Belgische stiefvader werd beëindigd nadat zijn moeder en stiefvader gescheiden waren in mei 2023. Hij was in februari 2020 aangekomen in België, ging in juli 2021 apart wonen met zijn moeder, broer en zus. De gezamenlijke vestiging met de referentiepersoon werd (uiterlijk) op dat ogenblik stopgezet. Zijn verblijfsrecht werd beëindigd op 20 januari 2025 omwille van het feit dat de gezamenlijke vestiging voortijdig stopgezet was. Hij ontving bovendien sociale bijstand. DVZ voegde eraan toe dat de uitzondering op de verblijfsbeëindiging inzake ‘bijzonder schrijnende situaties’ waar er sprake is van intra familiaal geweld niet van toepassing is op gezinshereniging tussen een descendent en ascendent.
De RvV floot deze redenering van DVZ terug. Los van of de aangebrachte bewijzen in casu afdoende zijn, blijkt niet dat descendenten geen beroep kunnen doen op de uitzonderingsbepaling inzake intra-familiaal geweld. Art. 42quater, §4, 4° Vw verwijst naar het ‘familielid’ dat tijdens het huwelijk of het geregistreerd partnerschap slachtoffer werd van intra-familiaal geweld en bevat verder geen voorwaarden inzake de familiale band van dit familielid. De motivering in de verweernota – waarin DVZ aangeeft dat de bewijzen die het intra-familiaal geweld zouden moeten aantonen hoe dan ook inadequaat zijn – is a posteriori en kan geen afbreuk doen aan bovenstaande vaststelling. De RvV stelde een schending van de motiveringsplicht in het licht van art. 42quater, §4, 4° Vw vast.