Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 340.532 - 5-02-2026

Samenvatting

Aangezien het begrip “daadwerkelijk zorgen voor” naast de dagelijkse verzorging en opvoeding, ook het aspect van verzorging en materiële hulp omvat, begrijpt de Raad niet waarom de verweerder niet op zijn minst rekening kon houden met deze materiële hulp.

Net als de eiser benadrukt de Raad dat de uitlegging van artikel 40ter, §2, 3° van de wet (zoals gegeven door de verweerder) tot gevolg heeft dat elke gezinshereniging wordt verhinderd in een situatie zoals die van de eiser, waarin een in het buitenland verblijvende ouder zich in België bij zijn kind wil voegen; het is immers onduidelijk hoe deze ouder zal kunnen aantonen dat hij of zij daadwerkelijk voor zijn of haar kind zorgt (dat wil zeggen dat hij of zij zorgt voor de “dagelijkse verzorging” van het kind), aangezien ouder en kind honderden of zelfs duizenden kilometers van elkaar verwijderd zijn; [en dat] alleen de ouder die zich al met het kind in België bevindt of die het kind vanuit het buitenland vergezelt, aan de voorwaarde zal kunnen voldoen om daadwerkelijk voor zijn of haar kind te zorgen; de ouder die, zoals in het geval van de verzoeker, nog in het buitenland woont en zich bij zijn kind in België wil voegen, zal dit niet kunnen (dit geldt des te meer wanneer, zoals in deze zaak, de visumaanvraag wordt ingediend slechts enkele weken na de geboorte van het kind) .

Met andere woorden, is de Raad van oordeel dat een dergelijke interpretatie van de betrokken bepaling tot een uiterst paradoxale situatie leidt: om aan deze voorwaarde – namelijk daadwerkelijk voor zijn Belgische kind te zorgen – te voldoen, had de verzoeker dus ofwel clandestien naar België moeten reizen, alvorens – vanop Belgisch grondgebied – zijn verblijfsaanvraag in te dienen (dit is het scenario dat aan de orde was in de zaak Ruiz Zambrano van het Hof van van de EU), of zich door zijn dochter in Egypte te laten vergezellen, waar hij ervoor zou hebben gezorgd haar de dagelijkse zorg te verlenen, om zo gerechtigd te zijn een aanvraag in te dienen om het kind naar België te vergezellen.

De Raad is dan ook van oordeel dat de motivering van de bestreden beslissing ontoereikend is wat betreft de redenen waarom de verweerder van mening is dat verzoeker het bewijs had moeten leveren dat hij daadwerkelijk voor een pasgeboren kind zorgt, aangezien verzoeker zich in Egypte bevond. De raadsman merkt, net als de verzoeker, op dat het doel van de visumaanvraag juist was om zich bij zijn minderjarige kind te voegen om daadwerkelijk voor hem te zorgen, aangezien het kind op het moment van de visumaanvraag nog maar iets meer dan een maand oud was.

Door de visumaanvraag van verzoeker af te wijzen op grond dat hij niet daadwerkelijk voor zijn kind zou zorgen  misbruikt de tegenpartij de toevoeging van deze nieuwe voorwaarde (die dus verband houdt met de wil om misbruik tegen te gaan in situaties waarin er geen of nauwelijks emotionele banden bestaan tussen de in België woonachtige ouder en zijn kind). De Raad is, net als de verzoekende partij, van mening dat een dergelijke uitlegging van artikel 40ter, § 2, 3°, van de wet tot gevolg heeft dat elke gezinshereniging in een situatie zoals in deze zaak (aangezien het om een baby gaat) wordt verhinderd, waarin een in het buitenland verblijvende ouder zich bij zijn kind in België wil voegen, en de Raad ziet niet in hoe het voor deze ouder mogelijk zal zijn om aan te tonen dat hij daadwerkelijk voor zijn kind zorgt volgens de interpretatie die de wetgever aan deze begrippen heeft gegeven, terwijl hij wel financiële middelen heeft gestuurd voor de geboorte van zijn kind, hetgeen op zijn minst (een begin van) de daadwerkelijke uitoefening vormt van zijn recht als vader van het kind, waarvan het ouderlijk gezag door de verweerder niet wordt betwist. De Raad herinnert er terloops aan dat het ouderlijk gezag het geheel is van rechten en plichten die de wet aan de ouders toekent, enerzijds ten aanzien van de persoon van hun kind en anderzijds ten aanzien van de goederen van hun kind.