Samenvatting
Het arrest van de Raad van State nummer 188.696 van 10 december 2008 heeft geoordeeld dat het feit dat een ingediende aanvraag tot machtiging van verblijf bij de gemeente nog niet werd overgemaakt aan DVZ op het ogenblik van hun beslissing, niet tot gevolg heeft dat op deze motieven niet geantwoord moet worden bij het nemen van een bevel tot verlaten van het grondgebied. Verweerder wordt geacht gevat te zijn met de aanvraag tot machtiging vanaf het ogenblik dat deze bij de gemeente wordt ingediend, zodat bij het nemen van een BGV na datum van indiening, er rekening moet gehouden worden met de hierin vermeldde motieven aangaande de buitengewone omstandigheden die verhinderen de aanvraag in het land van herkomst in te dienen en dewelke een mogelijke schending van een fundamenteel mensenrecht zouden inhouden, zelfs al was de aanvraag nog niet overgemaakt aan DVZ. Niettegenstaande de indiening op zich van een aanvraag op grond van artikel 9bis Vw de mogelijke politionele maatregelen conform artikel 7 Vw niet verhinderen, dient de formele motiveringsplicht en het beginsel van behoorlijk bestuur toegepast te worden door alle elementen te overwegen die ter kennis zijn gebracht. In elk geval kan er geen automatische toepassing van artikel 7 Vw gemaakt worden indien ernstige indicaties van een schending van fundamentele rechten werden aangebracht (in casu middels de aanvraag 9bis), daar de internationale verplichtingen ten allen tijde moeten gerespecteerd worden. De beslissing wordt vernietigd.