Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 36.338 - 21-12-2009

Samenvatting

Bij de beoordeling van de vraag naar de beschikbaarheid van een gepaste en toegankelijk behandeling in het land van herkomst of verblijf, moet het bestuur op de hoogte zijn van de identiteit en nationaliteit. Zelfs indien de vreemdeling vrijgesteld is van de voorwaarde om identiteitsdocumenten voor te leggen omwillen van de hangende asielaanvraag, blijft hij verplicht voldoende coherente inlichtingen te verstrekken om de gemachtigde toe te land het land van herkomst van de aanvrager te bepalen. In casu zijn verzoekers afkomstig van Joegoslavië, later Servië-Montenegro, Servië en Kosovo als onafhankelijke staat. De aanvraag wordt ingediend omwille van de medische redenen van het jongste kind. Zelfs indien vaststaat dat de ouders de Servische nationaliteit hebben en volgens de asielinstanties niet zou blijken dat men recentelijk in Kosovo heeft verbleven, liggen er authentieke stukken voor die de identiteit en oorspronkelijke herkomst uit Kosovo bevestigen, terwijl de aanvraag moet onderzocht worden in het licht van de herkomst van het kind, waarvan nergens vermeld is dat dit de Servische nationaliteit zou hebben. Het beroep is gegrond.