Samenvatting
Zoals verweerder vaststelt in de bestreden beslissing luidt artikel 40ter, tweede lid van de Vreemdelingenwet als volgt: “Voor wat betreft de in artikel 40bis, §2, eerste lid, 4°, bedoelde bloedverwanten in opgaande lijn, moet de Belgische onderdaan aantonen dat hij over stabiele, regelmatige en toereikende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens het verblijf in het Rijk ten laste vallen van de openbare overheden en dat hij over een ziektekostenverzekering beschikt die de risico?s van de betrokken familieleden in België dekt.” Uit een lezing van voormeld artikel blijkt bijgevolg duidelijk dat zowel de bloedverwanten in opgaande lijn als de Belgische onderdaan of de referentiepersoon niet ten laste mogen vallen van de openbare overheden. De Belgische onderdaan dient te beschikken over stabiele, regelmatige en toereikende bestaansmiddelen. Verzoekster stelt dat zij de gevraagde documenten zoals vermeld op de bijlage 19ter heeft ingediend en dat uit deze documenten niet blijkt dat zij ten laste valt van de openbare overheden of van het OCMW. De Raad merkt op dat uit een lezing van artikel 40ter van de Vreemdelingenwet duidelijk blijkt dat niet enkel verzoekster doch ook de referentiepersoon dient te voorkomen ten laste te vallen van de openbare overheden. Verzoekster heeft aan de hand van de ingediende stukken aangetoond ten laste te zijn van haar zoon en heeft eveneens aangetoond dat haar zoon op zijn beurt ten laste is van de Belgische staat. Verweerder dient enkel rekening te houden met het inkomen van de referentiepersoon in functie van wie het verblijf wordt aangevraagd. Verzoekster ontkent niet dat haar zoon, de Belgische referentiepersoon ten laste valt van de openbare overheden, wel integendeel uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekster uitdrukkelijk verklaart dat haar zoon beschikt over een werkloosheidsuitkering en een premie naar aanleiding van een arbeidsongeval. Verzoeksters zoon is bijgevolg ten laste van de Belgische overheid. Zelfs