Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 40.913 - 26-03-2010

Samenvatting

Bij een eventuele vernietiging van het thans bestreden bevel vermag de gemachtigde van de staatssecretaris voor Migratie- en asielbeleid niet anders dan in uitvoering van artikel 52/3, § 1 van de Vreemdelingenwet en van artikel 75, §2 van het Vreemdelingenbesluit opnieuw, na te hebben vastgesteld dat verzoekster daar zij niet als vluchteling is erkend en de subsidiaire beschermingsstatus haar werd geweigerd, zich op illegale wijze op het grondgebied van het Rijk bevindt, een bevel te verlenen het grondgebied te verlaten. Een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing kan aan verzoekster geen nut opleveren. Er dient daarom vastgesteld te worden dat verzoekster geen belang heeft bij het beroep tot nietigverklaring. Waar verzoekster in de uiteenzetting van haar middelen laat uitschijnen dat zij van oordeel is dat haar geen bevel om het grondgebied te verlaten - asielzoeker kon worden gegeven zolang er geen uitspraak is gedaan over haar aanvraag om machtiging tot verblijf om medische redenen, wijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen erop dat een aanvraag om machtiging tot verblijf zelfs om medische redenen niet maakt dat een vreemdeling die zoals verzoekster illegaal in het Rijk verblijft over enig verblijfsrecht zou beschikken. Het louter indienen van een aanvraag om machtiging tot verblijf doet geen rechten en plichten ontstaan en heeft geen invloed op de verblijfsstatus van de vreemdeling. Een aanvraag om machtiging tot verblijf verhindert niet dat na het indienen ervan nog een bevel om het grondgebied te verlaten aan de vreemdeling kan worden gegeven.Niets verhindert verzoekster om een verlenging aan te vragen om medische redenen van de uitvoeringstermijn van het bevel om het grondgebied te verlaten. Verzoeksters argument doet geen afbreuk aan de gebonden bevoegdheid van de staatssecretaris.