Samenvatting
De Raad dient vast te stellen dat in voorliggende zaak een gemachtigde van de burgemeester van de stad Antwerpen de bestreden beslissing heeft genomen en dat deze zich niet heeft beperkt tot het nagaan of verzoeker alle in artikel 52, § 2, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 voorziene documenten heeft neergelegd en of verzoeker op het grondgebied van de gemeente verblijft, doch geoordeeld heeft dat verzoeker niet ten laste kan zijn van zijn vader, aangezien deze een leefloon heeft aangevraagd en niet in staat is om een effectieve tenlasteneming van verzoeker te garanderen. Verweerder is bijgevolg verder gegaan dan het verifiëren of verzoeker in de stad Antwerpen verbleef en of hij alle vereiste documenten heeft overgemaakt, doch heeft zelf de door verzoeker aangebrachte documenten ter onderbouwing van diens stelling dat hij ten laste was (in casu een attest waaruit blijkt dat verzoeker reeds een aantal maanden bij zijn vader verblijft) geweigerd als overtuigingsstuk te aanvaarden en heeft in de plaats van de minister of zijn gemachtigde een standpunt ingenomen inzake de erkenning van het verblijfsrecht. Er dient bijgevolg te worden besloten dat de gemachtigde van de burgemeester van de stad Antwerpen zijn bevoegdheid heeft overschreden en dat artikel 52 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 werd geschonden.