Samenvatting
In het licht van het EG-recht en de rechtspraak van het Hof van Justitie is de Raad van oordeel dat, vermits familieleden van een EU-burger genieten van een verblijfsrecht in België op basis van het EG-recht, de erkenning van dit verblijfsrecht een declaratief karakter heeft en deze vreemdelingen bijgevolg geacht worden te genieten van dit recht vanaf hun aanvraag tot erkenning van hun verblijfsrecht en niet vanaf het ogenblik dat hun verblijfsrecht erkend wordt of het ogenblik waarop hun verblijfskaart afgeleverd wordt. De Raad kan daarom geen rekening houden met de verduidelijking van artikel 42 in de memorie van toelichting bij de wet van 15 december 1980, volgens dewelke tijdens de eerste twee jaar na de afgifte van het attest van immatriculatie, een einde gemaakt kan worden aan het verblijfsrecht op basis van een van de motieven opgesomd in artikel 42quater Vreemdelingenwet. Deze toelichting van de Belgische wetgever bij de omzetting in het Belgisch recht van een bepaling van EG-recht, in is niet in overeenstemming met het EG-recht en de interpretatie eraan gegeven door het Europees Hof van Justitie en kan bijgevolg niet in overweging genomen worden. De omstandigheid dat verzoeker in casu een familielid is van een Belg en dat de bepalingen van richtlijn 2004/38 niet rechtstreeks van toepassing zijn op hem, doet hieraan geen afbreuk, gezien de Belgische wetgever beslist heeft, op een uitzondering na, om op familieleden van een Belg dezelfde bepalingen toe te passen als op de familieleden van een EU-burger, bepalingen die geïnterpreteerd moeten worden volgens het EG-recht en de interpretatie van het Hof van Justitie.