Samenvatting
Verzoekster kan gelet op het gestelde in artikel 51, §3, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit gevolgd worden in haar redenering dat zij recht heeft op een verklaring van inschrijving en dat de gemachtigde van de staatssecretaris derhalve geen negatieve beslissing meer kon treffen. De Raad merkt samen met de verzoekende partij op dat in de bestreden beslissing expressis verbis gesteld wordt dat "de termijn overeenkomstig art. 51 §3 eerste lid van het KB van 08.10.1981 overschreden is." Verzoekster kan gevolgd worden waar zij steil dat de gemachtigde van de staatssecretaris in de bestreden beslissing haar beslissing "tracht goed te praten". Het gaat niet op dat de gemachtigde van de staatssecretaris in weerwil van de feitelijkheden die hij zelf onderkent in de bestreden beslissing, ingaat tegen de libellering van het tweede lid van paragraaf 3 van artikel 51 van het Vreemdelingenbesluit, waarin duidelijk bepaald wordt dat wanneer er "binnen de termijn bepaald in het vorige lid geen beslissing werd meegedeeld aan het gemeentebestuur, (.. .) de betrokkene in het bezit gesteld (wordt) van een verklaring van inschrijving". De gemachtigde van de staatssecretaris gaat er door te verwijzen naar de toepassing van artikel 42bis van de Vreemdelingenwet aan voorbij dat aan de voorwaarden voor de toepassing van dit artikel niet voldaan is. Artikel 42bis van de Vreemdelingenwet handelt immers over de mogelijkheid voor het bestuur om het verblijfsrecht van de burger van de Unie, dat verzoekster in casu niet verkregen heeft, te beëindigen. De gemachtigde van de staatssecretaris kan verder niet worden gevolgd waar hij op basis van artikel 42bis van de Vreemdelingenwet stelt dat het niet opgaat "eerst het verblijf toe te staan omdat de termijn binnen dewelke de beslissing moet worden genomen verstreken is, om nadien het verblijf terug in te trekken op basis van informatie die zich reeds in het administratief dossier bevindt. " Het staat verwerende partij immers niet vrij, om op ba